Verse jonge kapucijners…

Kapucijners uit blik, wie kent ze niet. Klaargemaakt met spek en spekvet, of opgediend met piccalilly en een gebakken ei. Je hebt er een voedzame maaltijd aan en al met al smaakt het heel behoorlijk.

Maar nu, in de maanden juni en juli, biedt men de verse jonge kapucijners aan. En dat is andere koek… Dat noem je niet lekker, dat heet goddelijk. Zacht en een tikkeltje zoet, maar uiteindelijk een smaak die nergens mee is te vergelijken.

Er waren tijden dat je ze nog nauwelijks zag op de markt, laat staan in de doorsnee groentenzaak. De laatste jaren, we constateerden het al eerder, lijkt het aanbod aanmerkelijk toegenomen. Toen ik zaterdag in zeven haasten over de Helmondmarkt rende zag ik ze in nagenoeg elke groentenkraam liggen. En natuurlijk kocht ik een kilo. Goedkoop zijn ze niet. Voor de goedkoop moet je die uit pot of blik nemen. Maar dan zul je ook nooit de smaaksensatie meemaken die het eten van jonge verse kapucijners veroorzaakt.

Je hebt er even aan te werken, aan een kilo ongedopte peulen. En je vingertoppen kleuren lichtelijk paars. Maar dat dien je maar op de koop toe te nemen.

Ik ben benieuwd wat Ellen er deze keer mee gaat doen (Ik maak ze schoon, Ellen verwerkt ze…) Maar uiteindelijk vind ik ze toch het lekkerst met slechts een scheut spekvet van onbesproken gedrag.

Café, poeskaffee, cigare…

Ik mag me graag profileren als liefhebber van de betere film, the art-house movie, de filmhuisfilm. Enfin, je snapt het wel; veel geneuzel (uitgesponnen dialogen), verstilde beelden, fletse kleuren, weinig actie, veel gevoel… Opgenomen tussen de schuifdeuren, dicht op de alledaagse werkelijkheid, altijd met een boodschap, liefst uit de Linkse Kerk. Ik zwelg erin…

Maar ja, ook al is de behoefte aan kunstzinnigheid zuiver op de graad, het vlees is en blijft zwak. Soms moet ik gewoonweg wat plats. Ongecompliceerd, simple story, actie, alles oplossend geweld, platitudes, de hele wereld verklaard in wit-zwart…

Dan ruk ik de oude Michael Caine films uit de kast: Be like a duck. Calm on the surface, but allways paddling like the dickens underneath. Of Clint Eastwood als Dirty Harry: You’ve got to ask yourselve one question: Do I feel lucky?… Well, do ya punk?” Dat soort gedoe lezer, dat soort gedoe…

Mijn nummer één in het “foute” genre is en blijft Jean-Paul Belmondo. Ik probeer te analiseren waarom dat zo is, ik kom er niet uit. Films als Cartouche, ik zit op de punt van mijn stoel. Pseudo-dramatiek zoals in Week-end à Zuydcoote, altijd té vet aangezet, ik snotter mee.

Maar dan zijn rol als premiejager in l’Alpagueur. Gewéldige onzin, prachtige vertolking…

Belmondo speelt de eenzame wolf die als een soort illegaal hulpje van de Franse politie vieze klussen opknapt, en wel voor veel geld. Wanneer dan de hoogste politiebaas hem de vraag stelt waar hij toch al dat geld voor nodig heeft spreekt Belmondo de gevleugelde woorden: Café, pousse-café, cigare… Met andere woorden: je betaalt me voor de koffie na het diner, het borreltje en de sigaar. En op dat moment is de ironische lach niet van die kop te beitelen.

Ik kan de uitdrukking Café, pousse-café, cigare nergens terug brengen zonder een verwijzing naar L’Alpagueur. Ik heb ook niet écht goed gezocht, want ik wil blijven geloven dat Frederic Villemin de zin speciaal heeft bedacht voor Jean-Paul Belmondo. Laten we het daar op houden…

We waren gisteren in de Vlaamse stad Lier. Daar, op de Grote Markt, bijna in de schaduw van de trotse Sint-Gummaruskerk, zag Ellen dat café; Poeskaffee. Gut, we beginnen er lol in te krijgen, in die Belgische taalgrapjes. En dit is wel een hele mooie…

De tegenspeler van Belmondo in l’Alpagueur is Bruno Cremer. Lang voordat hij zijn levenswerk voltooide [54 afleveringen van de Maigretverhalen van Simenon (de beste ooit!)] bouwde hij aan een eikenhouten oeuvre als filmacteur. Ook in deze film excelleert hij.

L’Alpageuer staat in zijn geheel op Youtube. Klik HIER en wacht 5 minuten en 40 seconden en je hoort de gewraakte opmerking uit de mond van Belmondo zelf. Mijn held!

De pootjes van de koekoek…

Zoals gezegd, die drukke “vrije” week sloten we af bij Ans en Alex. Vriend Jan en (andere) Ans waren er ook. We dronken en we aten. Tijdens de maaltijd kwam ter sprake dat Ans en Alex één van de daarop volgende dagen de Schone Stad Mechelen zouden bezoeken. Ze wilden de Rik Wouters tentoonstelling zien (die overigens nog loopt tot 1 januari 2015!)

Het kwam ons goed uit. Wij wilden graag weer een Mechelse Koekoek van topkwaliteit, en die koop je in Mechelen. Het vriendelijk verzoek aan Ans en Alex of ze vanaf het Gemeentemuseum even de straat wilden oversteken. Daar aan de overkant, bij kwaliteitspoelier Paradijs Maturin hebben ze de allerbeste.

Er pronkt in die winkel allerlei, alles naar aanbod van het seizoen. Mechelse koekoek hebben ze er altijd; de dames liggen er half gekleed bij. Tussen de uitgestalde waar kies je de koekoek die jou aanstaat. Vervolgens wordt de vogel vakkundig gesloopt en keukenklaar gemaakt. Aangezien in dit geval de bestelling voor derden was werden de poten mee verpakt. “Kunnen die mensen thuis zien dat het een échte is…” De kop kun je eventueel ook meekrijgen, maar de Mevrouw Poelier vertelde ons bij een eerdere gelegenheid dat dat tegenwoordig nog zelden op prijs wordt gesteld.

Werd onze vorige koekoek getrasformeerd tot een Bourgondische koekoek, deze zal vermoedelijk eindigen als Poule au pot, het lievelingsgerecht van Charles de Gaulle.

(Voor het archief: we aten lekker bij Ans en Alex; o.a. een taartje met spinazie en gerookte forel en een salade van rauwe rooie bietjes. Ook bakte Ans de Noord-West Franse equivalent van de Elzasser Flammenkueche. Met de topkaas uit Picardië en Nord-Pas-de-Calais: de Maroilles, die overigens ook onderdeel uitmaakte van het kaasdessert. Over die kaas later meer…)

Stom, stom, stom…

Het is bijna vijf uur in de ochtend en ik heb gloeiend de pest in. Gisteravond meenden we een aantal recente foto’s te hebben opgeladen op Flickr, ons fotoarchief. Maar ik ontdek zojuist dat daar weinig van terecht is gekomen. Tot overmaat van ramp hebben we de originelen weggedonderd.

Nu ik erover nadenk, er was enig moment dat ik dacht: Gaat dit wel goed? Maar meteen daaroverheen moest ik alweer andere dingen bedenken en verdrong ik de vage waarschuwing uit mijn brein.

Misschien valt er nog wat terug te vinden, misschien valt er nog wat te reconstrueren. Enfin, een aardig stukje schrijven zit er nu even niet in. Ik heb er geen zin in. Dacht ik niet…

Drukke week gehad?…

Het is alweer woensdag en ik zit nog te mijmeren over wat er zoal gebeurde in de week hieraan voorafgaand. Het was ook nogal…

‘s Maandags dat feest van de nachtwerkers van het instituut van mijn Broodheer en op dinsdag maakten Ellen en ik een uitstapje naar het Rijnland.

Woensdag en donderdag dienden we in alle rust de literatuur. Maar op vrijdag richtte ik de beloofde bierproeverij in met Vriend Jan en we vierden op zaterdag, samen met nog ruim honderd genodigden, het heuglijk feit dat de Keizer van Monera alweer vijfenzestig lentes jong is gebleven. De zondag brachten we door bij Ans en Alex, van de prille middag tot aan de voornacht. Enfin…

Nadeel van zo’n week is dat het je aan tijd ontbreekt om te schrijven. Je raakt je ritme kwijt en zie dan maar weer eens op gang te komen. Ik durf het haast niet te zeggen, [hoongelach is mijn deel (ook van mijn beste vrienden)], maar er moet over een en ander nog geschreven worden. Niet nu, want ik ben intussen alweer een aantal dagen aan het (nacht)werk. Ik drink mijn glas Pinot blanc en ga slapen, anders zal ik de komende nacht geen fluit waard zijn.

Je hebt het allemaal nog tegoed lezer; de verhalen over het feest tussen de schuifdeuren gepaard aan de culinaire hoogstandjes van het “Klein Chineesje”. Over de grootse leverworsten en het Saksisch spek uit Goch en over de bieren van the Musketeer. Over de gastvrijheid van De Keizer en over die van Ans en Alex. (En dat kaasje, dat kaasje…)

Die Rooie Vlaamse van de foto dronken we op zondag. Over de brouwerij mocht ik al eens schrijven…  Verder moet het nog gaan over de dorade in zoutkorst, over de varkensstoof, en eh…

Niet over voetbal, daar zou ik niet meer over schrijven…

Troubadour van The Musketeer (en toch Vlaams…).

Tsjechië, Duitsland of België (en misschien ook het Verenigd Koninkrijk). Als ik me ooit nog zou laten omscholen tot Brouwmeester zou ik kiezen voor een opleiding in een van deze landen. En mijn voorkeur en vertrouwen zou uiteindelijk uitgaan naar België .

Men kan het vak leren op het niveau van de ambachtsman, maar ook kan men zich scholen als ingenieur. Vlak het niet uit, bier is “big business “

Natuurlijk leren studenten hoe ze de grote commerciële brouwerijen moeten bedienen, dat gaat nu eenmaal zo. Maar er is meer. Het wezen van goed bier wordt onderwezen, het belang van traditie en kwaliteit. Het heeft in alle drie de landen generaties van brouwers opgeleverd die zich afwendden van de grote hoop. Die kozen voor een bestaan in de marge. Die voor zichzelf begonnen omdat ze in hun ideaal (het beste bier!) meer heil zagen dan in een carrière bij Inbev, Heineken of Bavaria. En dat idealisme heeft wat opgeleverd, nou en of…

The Musketeers BVBA heet de brouwerij, ze zijn ras-Vlaams. Ze houden domicilie in Oost-Vlaanderen en ze bestaan al een jaar of dertien. Vier brouwingenieurs startten de onderneming. Met nieuwe ideeën, met een nieuwe standaard. Maar met een diepgeworteld gevoel voor traditie en kwaliteit. Belgen zijn er goed in, in het combineren van oud en nieuw. En het levert op…. De prachtige tripel van Rulles. Belgisch, maar geperfectioneerd met een moderne hop uit de V.S. Ach, er zijn zo veel voorbeelden te bedenken…

Enfin, collega Ardie kwam op bezoek. Hij bracht wat gereedschap terug. Hij deed er niks meer mee en ik zou het mogelijk weer kunnen gebruiken. ( Ardie en ik delen de gemeenschappelijke passie van het beschilderen van tinnen soldaatjes.) Als dank voor de bruikleen schonk hij me twee flessen (70 cl.) van brouwerij The Musketeers.

Ergens in de donkere krochten van mijn brein lichtte een lampje op. Ik had er wel eens over gelezen, gedronken had ik het nooit, dat bier van hullie. Het duurde even voordat ik besefte dat de brouwerij de prestigieuze prijs World Beer Cup won in 2010. Dit jaar waren ze goed voor brons.

Aangezien ik niet graag over “één nacht ijs” ga zal ik een proeverij inrichten met Vriend Jan. Je zult horen wat wij ervan vinden.

De foto is wat kapot geflitst. Dat komt omdat Ellen al op bed lag en ik het weer helemaal zelf moest doen. En ik ben niet bedreven in fotografie (maar dat wist je geloof ik al…).

Nieuwe haring, editie 2012…

We noemen het evengoed een primeur, ook al is de nieuwe haring er alweer een week oud. We aten hem ook als primeur, één dag na aankomst. Het kwam er echter niet van om erover te schrijven (en er was geen fototoestel paraat om het heuglijk feit vast te leggen).

We aten hem op de markt en we aten hem op onze vaste stek. Mooi vet, net stevig genoeg, net zacht genoeg (contradictie?). Hij is goed dit jaar.

Ellen noemt het vloeken in de kerk, je haring eten met uitjes. Maar ik vind dat lekker, zij niet. Nog een week of twee, en dan is de haring op z’n best. Koninginnenharing! Iets groter dan nu, moddervet!

De staartjes bewaarden we natuurlijk voor Hond Max…

Buitenspel, hoezo?…

Ik rolde tegen de avond uit mijn bed. Ik had de nacht daarvoor gewerkt, dus moest ik een gat in de dag slapen. Op het moment dat ik de trap af stommelde vertrokken Marleen en de Jongste Bediende in zeven haasten. Ook de Keijzer van Monera had zijn hielen reeds gelicht. Andy en Het Kind waren überhaupt niet op komen dagen en Vriend Jan en Ans verbleven ergens anders. Ook de rest van de vaste bezoekers van de zaterdagavond lieten het afweten. Ze moesten allemaal naar het Voetbal! En aangezien het Ministerie geen kijkbuis bezit die grote groepen kan bedienen trokken onze gasten hun plan. Men zocht voetbalvriendelijker plaatsen op. Ik was een beetje beduusd. Die stilte in huis…

Ellen liet me de foto zien, de neerslag van een ultieme poging om het Ministerie te betrekken bij wat “ons” Nederlanders geacht wordt tijdens deze dagen te beroeren. Marleen trachtte Ellen de Buitenspelregel bij te brengen. De opstelling op de foto sprak voor zich, vond men. (Saillant detail: de Orvalasbak in de achtergrond, gevuld met kersenpitten, hoort niet bij de spelregels. Die asbak vertegenwoordigt de tribune van de F-side.)

Ik vroeg: Snap je het nou? Ellen zei zonder enig voorbehoud: Nee!

Ach lezer, voetbal is niet “ons ding”, zal het ook nooit worden. En ben eerlijk lezer, oranje is toch eigenlijk alleen maar een mengsel van rood en geel… Waarschijnlijk is dit het enige wat je verneemt over de Europese Kampioenschappen Voetbal op deze site. We wensen jullie oprecht heel veel plezier bij de wedstrijden, wij verheugen ons op een stille straat

Schouderkarbonade in Lupulus dubbel…

We kochten flink in op de Summiranboerderij. Niet het vlees van het Protestzwijn, want dat was er eenvoudigweg nog niet. (De foklijn is nog maar net opgezet, de eerste biggen moeten nog geboren worden.) Van welk varkensras het vlees dan wél afkomstig was weet ik niet, maar de kwaliteit en smaak waren ouderwets goed.

Een van de favorite gerechten op het Ministerie is de in bier gestoofde schouderkarbonade. We eten dat vaak, zo ook afgelopen week. Ellen maakte voor de vorm nog een enkele foto, maar we zouden er niet over gaan schrijven. Dat hadden we al zo vaak gedaan (dachten we)…

Ik ben toch maar even gaan zoeken in het archief. En wat blijkt: in de zeven jaren dat het Ministerie publiceert beschreven we het gerecht slechts vier keer. En steeds nét weer iets anders qua ingrediënten en qua biertype. Daar komt nog bij dat het laatste artikel over het gerecht alweer enige tijd oud is. Enfin, alle reden om toch werk te maken van de schouderkarbonade in Lupulusbier. Het recept is bedoeld voor twee personen.

  • 2 schouderkarbonaden van onbesproken gedrag,
  • 2 sjalotjes,
  • 2 tenen knoflook,
  • 33 cl. donker abdijbier,
  • 1 takje tijm, 
  • peper en zout uit de molen,
  • handvol gehakte verse peterselie,
  • boter.

Wrijf het vlees in met peper en zout. Smelt in een stoofpan boter en laat daarin op een middelhoog vuur de gesnipperde sjalotjes en de gehakte knoflook mooi glazig worden. Schep ui en knoflook uit de pan en zet even opzij. Doe dan het vlees in de pan en bak het aan de twee kanten bruin in de achtergebleven boter (voeg indien nodig nog wat boter toe). Giet er vervolgens het bier bij, de sjalotjes en de knoflook. Ook het takje tijm mag nu meestoven. Doe de deksel op de pan en laat het vlees stoven op een laag pitje.  In een goede 45 minuten tot één uur is het gerecht klaar. Een kwartier voor het einde van de stooftijd mag de helft van de gehakte peterselie in de pan. Is het vlees klaar dan leg je het op een voorverwarmde schotel. De saus maak je af met peper en zout, en je haalt het takje tijm uit de saus (dat heeft zijn dienst gedaan en kan weg).Giet de saus over het vlees of serveer in een sauskom. Dien warm op en werk af met de rest van de peterselie.

  • Wij gebruikten Lupulus bier, het donkere type. Aangezien dat in Nederland nog niet te krijgen is (en in Vlaamderen slechts sporadisch) zul je in de meeste gevallen gebruik moeten maken van een ander abijbier. Er zijn er genoeg en je kunt ze gemakkelijk aankomen.
  • Lange tijd ben ik ervanuit gegaan dat het niet zo heel erg veel uitmaakt welk bier je gebruikt. Ik dacht dat door het stoven en de forse smaaktoevoegingen het typische, het eigene van het bier min of meer verloren gaat.  Daar ben ik inmiddels van terug gekomen. Het maakt wel degelijk uit. Om te ontdekken welke smaak je het best bevalt zul je moeten experimenteren.
  • Een stooftijd van een dikke vijfenveertig minuten is een aardige richtlijn. Wij stoven meestal wat langer, een beetje afhankelijk van de dikte van de saus. Let wel op dat de saus niet te droog wordt. Dan koekt de hele zaak vast en verbrand. En dat is eeuwig zonde…

De bierkruik van “De Vijfhoeck”…

Nieuw bier in oude kruiken kopte het Helmondkatern van het ED. Ik vond het een aardige opening. En de rest van het artikel noopte tot onderzoek…

Bierkruiken met drie oren kom je beslist op meer plaatsen tegen. In de middeleeuwen, en ook later, vond je ze zowel in Vlaanderen als in de meer noordelijk gelegen streken van de Lage Landen. (Kijk maar eens naar Pieter Bruegels Boerendans.)

In Helmond werd de kruik standaardmaat. In een stadsbestuurlijk decreet uit 1622 bepaalde men dat bier alleen geschonken mocht worden in ‘tinnen potten off aerden potten met drie oiren, bij den keurmeester gepegeld‘. Zo had men een maat om accijns te heffen. In Helmond, maar ook in Eindhoven, zijn bij opgravingen tientallen van die potten terug gevonden.

Het verhaal wil dat Karel de Vijfde Helmond aandeed op een van zijn reizen. Het was in de tijd dat Karel nog geen keizer was, slechts Hertog van Brabant was hij. We spreken van het jaar 1515. Karel was nog een snotneus…

Maar kennelijk was hij oud genoeg voor een kruik bier, en tja, wat moest je ook anders drinken in een tijd dat water niet te vertrouwen was en wijn zelden werd geschonken in onze contreien. Karel bestelde zijn kruik bier en de kastelein bracht die met grote spoed. Maar aangezien de kastelein de kruik bij het oor vasthield kon (en wilde) die arme Karel het ding niet overnemen. Karel bestelde dan maar een nieuwe kruik, mits er twee oren aan zaten. Gezwind kwam de kastelein af met de kruik bier. En om niet te knoeien hield hij hem vast aan beide oren. Enfin, Karel had voldoende noten op zijn zang om ook deze kruik niet aan te nemen. Hij verordonneerde dan maar dat er in dit gewest alleen nog bier geschonken mocht worden uit kruiken met drie oren. Zo zit dat.

De legende is opgetekend door Stephanus Hanewinckel in 1798. Evenwel laat Hanewinckel zijn verhaal spelen in de Belgische Kempen, in het plaatsje Olen.

Studio Vandersteen maakte er een beeldverhaal van. In Helmond zijn ervan overtuigd dat Hanewinckel zich heeft vergist, of misschien slordig te werk is gegaan, of misschien zelfs omgekocht werd door dat volk uit Olen… De legende is naar ieders overtuiging Helmonds!

Terwijl Ellen bloemen kocht op de Helmondse zaterdagmarkt maakte ik een kort uitstapje naar het oudste pand van de stad, het huis De Luts. Mede in het kader van het Middeleeuws festijn dat op dit moment woedt in de stad liet de uitbater van De Luts vijfhonderd drie-orige kruiken maken in China. En tevens introduceerde hij vandaag een nieuw bier. Het bier heet “1515” en wordt uitgebracht onder auspiciën van De Vijfhoeck.(Zo heette de brouwerij die rond 1870 in het pand was gevestigd.)

Over het bier valt nog niks te zeggen. De web-site van De Vijfhoeck werkt nog niet en voor een proeverij was het nog even te vroeg. Zoveel is duidelijk: het bier is in Vlaanderen gebrouwen, en het brouwsel is speciaal samengesteld voor De Vijhoeck. (Vriend Jan en ik vinden heus dit weekend een moment om te proeven, je hoort er nog van…)

De “eerste” kruik wordt vanmiddag aangeboden aan de Burgervader van de Goede Stad Helmond, maar sinds vanochtend al prijken de “eerdere” kruiken in de bierkast van Vriend Jan en ondergetekende. Zo zit dat!