Vervreemding…

Je wordt door een Franse meneer uitgenodigd op een kaasplank. Hij laat je wat streekproducten proeven en sluit de maaltijd af met een oude Goudse, uit Nederland. Het beste wat er bestaat beweert hij…

Of je strandt ergens in Midden-Frankrijk met je DAF 33. Er blijkt een man in de omgeving die die Eindhovense koekblikken repareert. Hij heeft een loods vol tweedehands onderdelen, écht alles. Citroën, Peugot, Renault, bóf. Moi, c’est DAF! En hij meent het. Hij repareert je autootje voor een habbekrats…

Je ontmoet in de Pfhalz een Duits echtpaar. De mevrouw begint onmiddellijk over voetbal (O god, denk je, alsjeblieft niet…). In onbetwistbaar knappe en technisch waarschijnlijk juiste bewoordingen legt ze je uit dat het Nederlands voetbal uiteindelijk het beste van de wereld is! Ze glundert erbij…

Je zit in een Berggasthof ergens aan de Zwitserse grens en je verheugt je op de plaatselijke specialiteit. De waard echter zet je vol trots een onvervalste Belgische Oude Orval voor. Dat moet de Herrschaften toch plezieren zie je hem denken…

Je zit in Luxemburg (het land van stevige koek en prachtig gebak) en iemand vraagt je of je trek hebt in een Zeeuwse bolus. Je bent de laatste die tegen vreemde etenswaar nee zegt, dus zeg je ja. Je weet echter in het geheel niet waar het om gaat. Nooit gehoord van Zeeuwse bolus, is dat Nederlands? De gulle gever kan zich géén betere lunch voorstellen…

Je zit nog steeds in Luxemburg, maar nu aan de boorden van een riviertje. Je droomt weg bij het gekabbel van een kleine waterval. En dan komen er en goede vijftig badeendjes voorbij gedreven. Je bent te beduust om ze te groeten…

In al dat soort gevallen treedt er een vervreemding op. Je raakt in verlegenheid en je voelt op je Hollandse klompen aan dat het niet helemaal klopt. Vreemd, vreemd, vreemd…

We zijn weer thuis; het huis is té groot, de tuin is een oerwoud en internet doet het gewoon! Als dat geen vervreemding oplevert… Er moet nog een hoop etenswaar beschreven worden, maar dat kan nu weer. Blijf lezen lezer…

Grote eters…

Anderhalve dag stond er een gemutileerd artikel op deze site. Het was door omstandigheden slechts gedeeltelijk opgeladen. Gelukkig is de oorspronkelijke versie bewaard gebleven, ik had er ruim vier uren aan gewerkt… Ik publiceer het  opnieuw als we weer thuis zijn. (Er schiet me op dit moment een passende benaming door mijn hoofd voor de kwaliteit van onze internetverbinding. Ik bespaar je die, ik wil niet grof worden.) Enfin, genoeg gezeurd…

Was het al een gaan en komen aan onze Luxemburgse stulp, het gedoe is daarna niet opgehouden. Wouter leverde Julia af op zondag, ze hadden een moordvakantie beleefd in de Morvan. De daarop volgende donderdag kwam hij terug met drie maten om de vakantie met Julia in Luxemburg voort te zetten (toe maar!). We hebben de complete bent een heel stuk weg van onze bedoening geplaceerd. Het zijn adolescenten, ze zoeken het maar uit… Wel is er en redelijke afspraak over het eten gemaakt. Het gaat niet aan dat Julia-Wouter-Jeroen-Rick-Alexander de hongerdood sterven terwijl bij Eupotours en op het Ministerie de Hoorn des Overvloeds rijkelijk zijn eetwaar sproeit.

Daar komt nog bij dat de opa en oma van Wouter vaste lezers van deze site blijken te zijn. En ook houden zij er een groententuin op na in het Peelplaatsje Asten. Een kist courgettes, komkommer en eieren werd ons deel, alles biologisch! (Bedankt opa en oma…) En bijna zou ik vergeten dat Bram en Maja ook nog even langs kwamen. Kortom, prettige drukte.

Ellen kookte de eerste dag dat de adolescenten bij ons woonden een enorme hoeveelheid, gewoon om voor de rest van de tijd een maat te hebben.We waren in totaal met elf personen, het voedsel zou toereikend moeten zijn voor achttien. En echt, ze eten zo véél… Voor hond Max en hond Spot bleef slechts een armzalig hoopje spaghetti over, te weinig voor hun maaltijd!

Nou ja, de toon was gezet, wij kennen nu onze prijs. Grootverbruik is het credo! Het gold voor de Grillfestabend, voor de Indonesische rijstmaaltijd van Eupotours, het geldt voor de hoeveelheid brood bij het ontbijt. Van de courgettes maakte Ellen een hoeveelheid (vijf, zes liter?) soep. Het is op, alles. (Recept houd je maar even tegoed.)

Intussen roffelt er al ruim een uur een hoosbui op ons dak, het pad toont zich als een riviertje.  Evert en ik probeerden vanmiddag de adolescenten iets bij te brengen over kamperen en regen (veertig jaar ervaring…) De maten hadden echter geheel hun eigen oplossingen voor het naderend noodweer. Intussen zijn ze doende te verzuipen. Ach lezer, ze zoeken het maar uit, het zijn adolescenten…

 

 

 

De Bieren van Luigi Moretti…

Terwijl hier de supermarktschappen (alweer) leeg stonden en er geen druppel Orval te krijgen was, zaten Ans en Jan op een obscuur Italiaans terras, in the middle of nowhere, te slurpen aan een Belgisch bier. Juist ja, Orval… Ik gunde ze het van ganser harte, daar niet van.

Ellen en ik hadden zoiets ook al eens beleefd. Op een zelfde soort obscuur terras, in een andere middle of nowhere. Ergens in een Frans dorpje aan de Zwitserse grens. Ook daar was het Orval vrijelijk te verkrijgen. Het duurde wel even voordat we bediend werden. De kastelein kon het passende glas niet vinden…

Je vindt ze volop, die Belgische bieren. Fransen zijn er dol op, zo ook de Italianen. En terwijl bij ons de wijnconsumptie nog steeds toeneemt, ten nadele van de hoeveelheid gedronken bier, is dat in die Wijnlanden juist omgekeerd. En natuurlijk wordt er niet alleen geïmporteerd. Zowel Frankrijk als Italië kunnen bogen op een rijke traditie van bier brouwen.

Noord Frankrijk is het land van de speciaalbieren, in de Elzas brouwt met het pils. Ook Italië maakt degelijk blond bier. Moretti is één van die brouwers die al lange tijd garant staan voor een uitstekende pilsner. Je hebt waarschijnlijk al wel eens dit plaatje gezien van die besnorde man met dat Tiroler hoedje, slobberend aan een pul bier.

Ze hanteren het plaatje sinds 1942 al als handelsmerk, en ze doen dat nog steeds. Het Tiroler hoedje verwijst naar de streek waar de brouwerij oorspronkelijk werd opgestart,de provincie Friuli, in het uiterste noord-oosten van Italië. In het midden van de negentiende eeuw maakte de streek deel uit van de Oostenrijkse-Hongaarse Dubbelmonarchie. Het middeleeuwse stadje Udine was een garnizoensplaats en het is dus niet zo verwonderlijk dat juist daar ene Luigi Moretti een brouwerij begon. Het eerste bier werd er in de zomer van 1860 verkocht, gebotteld en wel. Lange tijd bleef de brouwerij de lokale markt bedienen, maar vanaf het eind van de jaren tachtig van de vorige eeuw gingen ze Italië-breed. Intussen behoort de brouwerij tot de Heinekengroep, maar met behoud van eigen identiteit (Ook bij Heineken hebben ze door hoe het moet!)

Vriend Jan mag graag lokale bieren ontdekken, hij is niet eenkennig. Maar wanneer hij in Italië is gaat zijn voorkeur uit naar het pilsner van Moretti. Moutig, subtiel bitter en fris. En ik geef hem groot gelijk. Je mag dat bier voorzetten aan elke Duitser,Tsjech of Luxemburger (om de drie grootste pilsdrinkers maar eens te noemen). Ze zullen toegeven dat Moretti best mee kan met hun Beck’s, Urquel of Bofferding...

Toen Ans en Jan op hun terugreis naar Nederland onze  Luxemburgse stek voor enige dagen aandeden trof ik dan ook een goed gevulde koelkast in hun bus. Er lag van alles, maar toch voornamelijk pilsner van Moretti. Ik had het bier al eerder gedronken, en het smaakte me ook nu weer als vanouds. En toen haalde Vriend Jan die twee feestverpakkingen voor de dag. De inhoud verraste me in hoge mate. Speciaalbieren, twee blonde en een robijnrode.

Doppio Malto: een bier van het type Duitse dubbelbock (in het Engels: Golden Ale). Hoge gisting, maar wel gefilterd. Het alcoholpercentage is 7 %. Een mooie goudgele kleur heeft het bier en de schuimkraag is stevig. Je ruikt malt, hooi en iets notigs. Je proeft een tikkeltje zoet, maar dat verdwijnt snel naar de achtergrond. Blijft over malt en fruitig bitter. Middellange bittere afdronk. Stevig van body, een meer dan gemiddeld bier.

Baffo d’Oro: soort van Premium Pilsner, lage gisting dus. Net geen vijf procent alcohol. De kleur is middelgeel, goede schuimkraag. Ook hier wat hooiïgs in de smaak. Een stevige body, eigenlijk gewoon een keurig pilsner. Goed koelen…

La Rossa: tsjé, die rooie. Dat was onze favoriet. De stijl wordt zo hier en daar omschreven als Dobbelbock (ónze dubbelbock bedoelen ze dan). Maar wij vonden het eerder weg hebben van een Vlaamse Rooie. Op een terras in Dendermonde zou hij niet misstaan. Mooie amberkleur, helder, want gefilterd. De schuimkraag is stevig en lichtbruin. Bij het brouwen is geroosterde gerst gebruikt en dat ruik en proef je; citrustonen en caramel. De aromatische hop dringt zich niet teveel op. Net iets te zoet naar mijn smaak, anders zou ik het een absoluut moordbier noemen.

Lees ik mijn bierrecenties terug dan word ik een beetje verlegen. Het ziet er altijd wat opgeblazen uit maar ik weet écht niet hoe ik het anders beschrijven moet. Enfin…

Enfin…

Jan en Ans braken vanochtend op, Andy en het Kind keerden gisteren huiswaarts. Neel, Evert en de Twins kwamen aan en Julia werd een goed uur geleden afgeleverd. Kortom, een gaan en komen rond ons optrekje in Luxemburg. (En we verwachten nog een en ander.) Maar schrijven, hó maar! Internet werkt zo goed als de afgelopen jaren. Een eufemisme voor ‘t werkt niet! Hoe kun je zo in godesnaam een web site bijhouden?

Enfin, intussen werd er een geleerde ITer geconsulteerd en die deed iets met houtjes en kurk (!?) en nu zou de verbinding consistenter moeten zijn. Laten we het hopen, er is zoveel te schrijven.Bijvoorbeeld over die visjes uit de Moezel.

Andy had zich een visbrevet aangeschaft bij de Douane in Capelle. Voor een goede vijf euro mocht hij een week lang vissen in de Luxemburgse grensrivieren. Hij kwam thuis met een bak voorn en baars. Gevangen in de Moezel.

Ellen bakte de visjes op het buitenfornuisje. Heel simpel bestoven met wat bloem, peper en zout. Finger food van de bovenste kwaliteit.

 

Phitophtera, een zegen voor de mensheid ?!..

Paddenstoelen zijn een zegen voor de mensheid. Ze helpen bij het opruimen van alle rommel in de natuur en met een beetje mazzel kun je ze nog eten ook. Geen kwaad woord over paddenstoelen, zolang ze maar groot zijn en een steel en een hoed hebben.

Het merendeel van hun familie echter heeft een voorkomen dat wat “creepy” is, klein, soms wollig, soms ook “sticky”. Een beetje griezelig dus. Ook die zwammen doen hun werk, en ze doen dat best. De wereld zou een onleefbare bende zijn zonder dat gespuis.

Maar er zijn er ook een paar, die wil je niet kennen… Phitophtera is er een van. Op de een of andere manier heeft die zwam bedacht dat hij aardappelen en tomaten moet opruimen. En hij doet dat effectief. Nachtschade, denkt die zwam, het woord zegt het al. Schade! Opruimen die handel.

Marleen en de Jongste Bediende plantten ook dit jaar weer een keurig akkertje piepers aan. Red Barons en Frieslanders. Die Red Barons doen het geweldig op onze zandgronden, die Frieslanders houden moedig stand, hoewel ze kleigrond prefereren.

Ware het niet dat het al tijden zeike-zeike-weer is (excusez le mot). Enfin lezer, je hebt het allemaal zelf mogen beleven. En daar komt Phitophtera om de hoek kijken. Hij behoort tot de taxonomische klasse van de Waterschimmels en dat wil hij weten ook. Nattigheid betekent werk aan de winkel. En gretig zoekt hij zijn slachtoffers. Bijvoorbeeld op dat akkertje aan de Witte Brug in Gemert.

Nu is onze Jongste Bediende niet van een kleintje vervaard. Zijn heudige professie mag dan mijlenver afstaan van zijn opleiding, de Jongste Bediende is en blijft biologisch boer. Hij herkende de boosdoener in zijn gewas, dacht slechts ‘n moment na en handelde! Al die Frieslanders uit de grond, dat was zijn oplossing. De Red Barons zullen de Phitophtera aanval overleven. Zeker wanneer hij zo driftig in de weer gaat met de flitspuit (biologisch?)…

Enfin lezer, wij vinden het best. Ieder nadeel heb se foordeel… (wie zei het ook alweer?) Wij eten sinds dagen nieuwe aardappeltjes, krieltjes, zo lekker, zo vers…

Wij hebben wel iets met Phitophtera, de bezorger van Nerlands Hoop in trieste (lees: natte) dagen. En Ellen roept vanuit de keuken: Voor het eerst in ons samenzijn gaan we op vakantie met een zak aardappelen als bagage… Het zij zo lezer, het zij zo.

De Liter van Pallieter…

Mensengoedheid, waar blijft de tijd? Alweer twee weken geleden dat we in Lier waren, dat Vlaamse stadje dat eens een voorname Vlaamse Stad was. Met een grote gotische kerk, een basiliek waardig. Met een Belfort, een begijnhof en een astronomisch uurwerk op de stadstoren. Met twee stedelijke musea en een groot plein omzoomd door terrassen.

Het was de eerste zonnige dag na een periode van nattigheid. De terrassen zaten dan ook afgeladen vol. En overal zag ik dat Pallieterbier, ik kende het niet.

Enig speurwerk leerde me dat het bier speciaal gebrouwen wordt voor de stad Lier. Door de microbrouwerij Achilles te Itegem. Die brouwerij verzorgt wel vaker van die speciale brouwsels voor particuliere opdrachtgevers. En ze doen het niet slecht…

De driebandstoter Raymond Keulemans komt van Lier, zo ook de acteur Pol Goossens (‘Allez Suuske…”) en dan nog oud-premier Gaston Eyskens. Maar het beroemdste kind van de stad is beslist de schrijver Felix Timmermans. Zijn opus magnum heet Pallieter, ij schreef het in 1916. Het boek werd wereldwijd een succes, het werd in veertig talen vertaald.

Pallieter staat voor de levensgenieter, voor de Vlaamse volksaard, Ach, brave lectuur, maar niet onaangenaam om te lezen. Ergens in ons huis slingert het boek rond, ik kon het gisteravond niet vinden, ik kan er dan ook niet uit citeren…

Enfin, de naam van het bier is hiermee wel verklaard, dunkt me. En het werd rijkelijk geschonken, dat bier. Voor zover ik kon constateren op elk van de talloze terrassen aan de Grote Markt. Ik zoek er mijn proefnotietie bij en ik lees: “Heel behoorlijke tripel, geen bijzondere kenmerken…” Het alcoholpercentage beliep een goede acht procent.

Voor zover ik me kan herinneren smaakte het bier me best, daar in het zonnetje. Niet had ik de aandrang om wat extra flesjes in te slaan en bijvoorbeeld Vriend Jan deelachtig te maken van deze vondst. Zoals ik al zei: een heel behoorlijke tripel, geen bijzondere kenmerken…

En de kalkoen komt eraan…

Het ding was nog niet zo lang geleden onderdeel van de vederpracht van de vader of de moeder van onze aanstaande kalkoen. Ons beest is nog maar net uit het ei gekropen, dus van hem of haar zouden we alleen wat dons kunnen tonen. Je moet het dus even doen met de nalatenschap van zijn of haar ouders…

Marleen heeft een optie genomen op het kalkoenkuiken. Tegen de winter zal het, strikt biologisch opgevoed, klaar zijn om het Ministerie en Vrienden culinaire diensten te bewijzen. De vogel heeft dan een vrij leven genoten tussen aspergevelden en hakhoutbosjes in de omgeving van het Noord-Limburgse Merselo. Panklaar is-ie (of ze) tegen die tijd!

We spraken zelfs al een datum af. Het beest zou een dienende rol vertolken bij onze viering van Thanksgivingday. (Als je dan met overgave het Suikerfeest viert, en een uitstapje naar het Chinees Nieuwjaar niet schuwt, waarom zou je dan ook niet eens een Amekaanse feestdag adopteren? En zeker wanneer je je realiseert dat een en ander uiteindelijk een Nederlandse oorsprong kent.)

Thanksgivingday is het feest waarop men god ( bij anderen ook wel: God) dankt voor de goede gaven des velds en zo nog een en ander. Het feest valt altijd op de vierde donderdag van de maand november. Dit jaar dus op de 22ste, een dag dat ik moet werken… En zomaar midden in een nachtdienstweek een dagje vrij nemen, dat kun je schudden.

Geen nood, dacht ik. Ook Canada kent haar Thanksgivingday. Die valt op de 2e maandag in oktober. En uiteindelijk heb ik meer met dat tweetalig volkje ten noorden van de You-Ess-Of -Ee. Ons halve dorp verkaste in mijn jeugd naar die contreien…

Ook op dié datum blijkt mijn broodheer beslag te leggen op mijn goedwillende inzet. Dat wordt dus niks met Thanksgivingday. We zullen een andere gelegenheid moeten vinden, misschien zelfs een andere feestdag ontwerpen…

In een ver verleden deelde ik het atelier met Jan van Gemert. Hij was beeldend kunstenaar, in behoorlijk goeden doen, ik kunstenstudent in arrenmoede. Jan hielp me  kunstzinnige problemen op te lossen. En nu en dan schoof hij wat af. Nooit geldelijk, altijd in de materiële zin. Canvas, olieverf, inkten, papier, het gewone kunstenaarsgedoe.  Maar soms ook wijnen, bij voorkeur van Spaanse afkomst, en soms etenswaar.

De enige kalkoen die Ellen ooit heeft verwerkt kwam van Jan. En hij kreeg hem weer van een buurman uit het Noord-Limburgse Oler, uit een kweekbatterij. Een gigantisch beest was het.

Ellen had er goed over nagedacht, over wat te doen met zo’n monster. Het stond haar alleen niet aan, ook toen al niet, zo’n gevaarte uit een legbatterij. En toen ze dan ook nog eens haar lijf brandde, serieus brandde met littekens en al, toen had voor haar het specimen Kalkoen afgedaan . Voorgoed, dacht ze… Sinds dien huldigt ze het stanpunt dat kalkoenen de ultime plofkippen zijn. Het meest abjecte uit de doorfokkultuur.

En gelijk heeft ze. Die kilo’s grote gedrochten, je moet ze niet willen !

Maar nu, dat beest uit Merselo. Zuiver op de graat, schoon van lijf en leden. Dat is toch een feest waard? Ik dacht het wel lezer, ik dacht het wel (Elen twijfelt). We zullen zien…

 

Chinees bordje…

Tijdens het gerommel in het archief kwam ik dit bordje tegen. De foto dateert van oktober 2005, we hebben hem destijds gebruikt als klein icoon in de marge van het oude web-log.

Ach eigenlijk ken je ze wel, deze bordjes. Je ziet ze regelmatig. Ze kosten een paar euro en je kunt ze krijgen in allerhande maten. Van piepklein tot dekschaalformaat.

Dit exemplaar komt uit China, maar ik heb er ook gezien met ongeveer hetzelfde motief, komend uit andere delen van Zuid-Oost Azië.

Het vissenmotief is een klassieker, dat wordt al eeuwenlang zo gebruikt, door de jaren is het nauwelijks veranderd. Bij Bram en Maja staat er zo’n bord te pronken op de kast in de kamer. Dat exemplaar is afkomstig van een VOC schip, vergaan, ergens in de zeventiende eeuw, voor de kust van de Molukken. Ook Chinees. Het is wat zorgvuldiger beschilderd, maar het motief is nagenoeg gelijk. Ook het bord van de foto is met de hand beschilderd. Heel ambachtelijk, bijna kunst. Wanneer ik verschillende bordjes uit onze voorraad naast elkaar leg zie je minieme verschillen, als het ware zie ik het handschrift van de keramist…

(De eetstokjes met de keramische uiteinden komen van de wereldwinkel.)

En dat allemaal voor een paar euro…

Noedelsoep, een beetje Aziatisch, een beetje Ramen…

Het blijft een goede gewoonte om altijd een pannetje bouillon gereed te hebben. Komen er onverwacht gasten, in een handomdraai kun je ze een bord soep voortoveren. Wil je je saus afmaken, de bouillon staat klaar. Een snelle lunch? Je doet wat groenten in je bouillon en klaar is Kees.

Een van mijn favoriete snelle eenmanslunches is deze noedelsoep. Het gaat als volgt:

  • neutrale bouillon (zoveel als je wilt eten),
  • 1 portie gedroogde noedels,
  • handje taugé,
  • 1 lente uitje,
  • 3 schijfjes gebraden varkensfricandeau,
  • platte peterselie,
  • gefermenteerde vissaus (nam pla),
  • kwart vers pepertje.

Blancheer de taugé twee minuten in kokend water, spoel ze daarna onder de koude kraan en laat ze uitlekken. Breng de bouillon in een pannetje aan de kook. Breng die op smaak met de gefermenteerde vissaus en de gesnipperde peperkwart. Doe de noedels in de bouillon, laat die drie minuten doorkoken en haal dan de pan van het vuur. Stort de taugé in de bouillon en ook het gesnipperd lente uitje. Drapeer het vlees op de noedels en maak de soep af met gehakte peterselie. Klaar!

  • Het recept bedacht ikzelf. Het is geïnspireerd (zeg maar afgekeken van…) door de film Tampopo. Eigenlijk is het een verkapt recept voor Ramen, de noedelsoep die je , naar het schijnt, op elke straathoek van elke willekeurige Japanse stad kunt eten.
  • De hoeveelheden van de diverse ingrediënten pas je natuurlijk aan aan je smaak. En aan wat je zoal in huis hebt. Ik maak ook vaak een variant met gefermenteerde zwarte boontjes en leef dan in de illusie dat ik een Chinese soep eet.
  • Met de zegeningen van het pannetje bouillon zal ik je nog vaak lastig vallen lezer!

Gegrilde claresse met tapenade…

Een tapenade is een dikke saus van vooral olijven en appelkappers. Verder kan er vanalles bij, maar die olijven en kappers zijn essentieel. Ellen gebruikte zo’n saus bij de bereiding van haar gegrilde aubergines. Ze houdt de tapenade aan de gove kant, dat bevalt ons wel zo goed… 

Je kunt proberen om heel afgepast te werk te gaan, maar dat lukt lang niet altijd. Een enkele keer kom je saus tekort, veel vaker houd je over, zoals ook nu weer gebeurde. En aangezien weggooien doodzonde is zocht ik naar een mogelijkheid om de tweedehandse saus te hergebruiken. ‘n Combinatie met vis bleek een heel goede.

Ik gebruikte twee claresse filets. Ik bestreek een vuurvaste schaal met wat olijfolie en legde uienringetjes op de bodem. Ik kruidde de filets met peper en zout en drappeerde de tapenade op de vis. Op de uienringen grilde de filets een dik kwartier in een op 200 graden voorverwarmde oven en het gerecht kon op tafel.

  • Oventijd is natuurlijk een beetje afhankelijk van de dikte van de vis.
  • Maak je tapenade dan gebruik je de kapperappeltjes. Dus niet de ontluikende knopjes die doorgaans in zout worden ingelegd, maar de (veel grotere)  uiteindelijke vruchten, die met die steeltjes.
  • Zoals gezegd wordt de basis van een tapenade gevormd door gehakte olijven en gehakte appelkappers. Verder kan er vanalles door, al naar gelang je smaak. Broodkruim vinden wij eigenlijk altijd een must. Denk verder aan knoflook, aan kaas, aan kruiderij of verse pepers. Enfin, laat je fantasie werken en pas de tapenade aan aan je smaak.