Kastanjemans op zondagochtend…

 

7 oktober 027
Ik heb vannacht gewerkt en laat nu in het ochtendgloren nog even de hond uit, Ellen heeft daar dadelijk geen tijd voor.

Op de ochtendwandeling zie ik ze liggen, de paden van de Gemeentetuin zijn  bezaaid met verse kastanjes. Het lijkt me rijkelijk vroeg in het jaar. Misschien werpen de paardenkastanjes eerder vrucht omwille van hun deplorabele gezondheidsstaat, de meeste bomen zien er verschrikkelijk uit. Ik vind overigens ook al eikeltjes…

Je kunt er niks mee, met die bruin glimmende bollen. Met eikels wel, die zijn nog goed voor de varken. Maar de vruchten van de paardenkastanje? Eten kun je ze niet, en een andere bestemming dan ermee knutselen kan ik me niet bedenken. Maar ik kan het niet laten, ik raap kastanjes altijd op. Prachtig glanzen ze tussen de dorre bladeren op de grond, ik prop mijn broekzakken er vol mee.

Ik maak een mannetje, maar een hond had ook gekund. Of een slang, of een halsketting… (Ooit maakte ik een Pterodactilus!)
Het einde van de winter halen ze nooit, mijn figuurtjes. Ze verliezen glans, ze drogen in, armpjes en beentjes gaan los zitten of breken. Net het echte leven…

Jop, die bij ons logeert, vindt het wel mooi en wil ermee spelen. Maar het poppetje is te breekbaar voor zijn forse kinderknuisten (wat kan zo’n jong van een paar turven hoog al een kracht zetten…).

Ellen bakt intussen croissants, we ontbijten met z’n drieën. Een gekookt eitje hoort er bij, een pyjamapapje, sterke koffie en voor mij een goed glas wijn. Ik heb nog een nacht te gaan en kruip daarom zo meteen in bed. Ellen gaat eendjes voeren met Jop. Vindt-ie leuk…

© paul

Spekkersen…

Napoleonkersen...

De kersentijd is voorbij, morgen begint de maand september alweer. Maar ik kwam de foto tegen en ik dacht: Als ik er nu niks mee doe dan verdwijnt het plaatje in een stoffig hoekje van ons archief en da’s ook zonde… Dus:

In mijn jeugd at ik ze, en ik at ze graag. Er ging geen jaar voorbij of er kwam in de zomer wel een maaltje spekkersen voorbij. Waar men ze vandaan haalde, ik zou het niet weten. Misschien kwamen ze bij ons vroeger algemener voor, misschien hadden kennissen van mijn ouders een boom. En ook opa Jehan keek elk jaar volop uit naar dat fruit, al was het alleen maar omdat opa geen andere kersen in zijn kersenpannenkoek duldde dan spekkersen.

We liepen met Julia over de weekmarkt in het Zuid-Belgisch stadje Arlon. Daar lagen die spekkersen te pronken en ik werd er meteen hebberig van. Julia, een gekend kersenliefhebber, huppelde intussen alweer ruim twintig jaar rond op deze aarde, maar spekkersen kende ze in het geheel niet. En daar, aan die marktkraam, realiseerde ik me dat ik de kersen ook al in geen jaren meer gezien had, laat staan geproefd. Alle reden om een maaltje te kopen.

Over de oorsprong van de oerspekkers bestaan verschillende verhalen, maar zoveel is duidelijk: het ras werd ontwikkeld rond 1800 in de buurt van de Duitse stad Halle. Binnen enkele jaren verspreidde de kers zich over Europa en het was een tuinbouwer en rasveredelaar uit het Belgische Henegouwen, genaamd Louis Parmentier, die de kers in 1828 de naam gaf waaronder ze tot aan de dag van vandaag wereldwijd bekend staat : Bigarreau Napoleon. Andere gangbare, maar meer lokale namen zijn Kaizerskirsche, Grosse Prinzessin, en bij ons dus Spekkers.

De spekkersenboom bloeit in april en mei, en de vruchtjes worden in juli en augustus geoogst. De bomen zijn evenwel gevoelig voor een aantal ziekten en de vruchten willen nogal eens barsten door toedoen van een flinke regenbui. Bovendien eisen de bomen een rijke boden. (Mogelijk allemaal redenen waarom ik die spekkers bij ons niet meer zie…)

De kersen hebben stevig vruchtvlees dat een zoetig sap bevat. De kleur van het vruchtvlees is geel met soms hier en daar een rood vlekje. De smaak van de kersen is heerlijk, een heel mooie balans tussen zoet en een tikje bitter. De vruchten worden roder naarmate ze rijper worden, maar ze blijven altijd voor een deel geel. De kersen bevatten opvallend veel vitamine C.

De spekkersen die we op die markt in Arlon kochten kwamen uit de Haspengouw, zeg maar het Belgische equivalent van onze Betuwe. En ze waren dus écht zo lekker als vroeger. Zouden ze ook écht zo zeldzaam zijn als ik nu denk?

Ik vroeg nachtcollega Johan of hij spekkersen kende. Nou en of, zei hij, het zijn de lekkerste kersen uit mijn jeugd. Ik zie ze tegenwoordig nooit meer. Vervolgens stelde ik dezelfde vraag aan Loes, een aanmerkelijk jongere collega die me in de ochtend af kwam lossen. Nee, zei Loes, die ken ik niet. Hoewel, als ik de foto bekijk doet het me denken aan iets dat ik wel eens bij mijn oma zag.

Hoewel dat gevraag van mij niet de waarde heeft van een representatieve steekproef, geeft het toch iets aan van mijn vermoeden: de spekkers verdwijnt uit ons zicht. Wat zonde!

(Voor dit artikel maakte ik onder andere gebruik van de website van de Fruitpluktuin in Haaksbergen.)

© paul

 

Spencer, de Amerikaanse Trappist…

Spencer Trappist Imperial Stout...Het moet toch weer even gezegd worden, want de verwarring blijft opspelen…

Trappistenbier mag alleen Trappistenbier heten wanner het gebrouwen is binnen de muren van een Trappistenklooster. Alle andere bieren die iets met paters of nonnen van doen hebben (of suggereren dat ze dat hebben) heten abdijbier, kloosterbier of bedenk maar wat. Het zijn géén trappistenbieren!

In de tijd dat de wereld overzichtelijk was, nog maar kort geleden, bestonden er zes trappistenkloosters in België en één in Nederland die zich Trappistenbrouwer mochten noemen. Intussen is de lijst aangevuld tot elf statushouders. Het zijn: Achel (B.), Chimay (B.), La Trappe (NL.), Orval (B.), Rochefort (B.), Spencer (USA), Stift Engelszell (A.), Tre Fontane (I.), Westmalle (B.), Westvleteren (B.), Zundert (NL.).

Trappistenbier is geen biertype, de diverse brouwerijen maken heel verschillende bieren. De bindende factor is, zoals gezegd, dat ze binnen de muren van een trappistenklooster zijn gebrouwen. Trappistenbieren hebben een keurmerk: een bruin zeshoekig vlak met de opdruk Authentic Trappist Product. De opbrengst van het brouwen wordt deels aangewend als inkomsten voor het desbetreffend klooster, en voor een deel wordt het geld gebruikt ter ondersteuning van maatschappelijke goede doelen.

De kwaliteit van Trappistenbieren is doorgaans goed, in een aantal gevallen zelfs uitmuntend. Het bier van Westvleteren wordt al jaren door bierliefhebbers van over de hele wereld bekroond als Beste Bier Ooit en ik sluit mij daar vol overtuiging bij aan. Verder is het mijn persoonlijke mening dat het bier van Achel weinig om het lijf heeft. En over dat van Zundert moet ik nog eens goed nadenken. Voor de rest ben ik tevreden, tot zeer tevreden, over de Trappistenbieren. Intussen overwegen nog andere Trappistenkloosters om een brouwerij te starten, het zal me benieuwen…

Dit weekend proefde ik het bier van het Trappistenklooster Saint Joseph’s Abbey, Spencer, Massachusettes, USA. Het is een relatief nieuwe ster aan het firmament van Trappistenbrouwerijen, ze brouwen er nog maar sinds een paar jaar. Voor de ontwikkeling van hun brouwerij en vakmanschap gingen ze te rade bij hun Europese broeders. Met name aan die van Westvleteren zijn ze volop schatplichtig. En dat is te merken ook. Spencer Trappist Imperial Stout...

Zeven verschillende bieren komen er van de brouwerij, ik kan slechts over twee meepraten. Laat ik het bij die ene bruinzwarte houden, gecomponeerd naar het type dat we kennen als Russian Imperial Stout.

Russian Imperial Stout is het biertype dat in vroeger dagen in Engeland werd gebrouwen voor het Russische Keizerlijk Hof. Een fors bijna zwart bier, flink van alcohol, sterk en geprononceerd van smaak. (Denk aan koffie, denk aan zwarte chocolade.) De Trappistenbroeders van Spencer namen dit type als uitgangspunt voor hun Trappist Imperial Stout. En daar hebben ze goed aan gedaan. De typische smaaksensaties van Russian Imperial Stout lieten ze intact. Geur en smaak van zwarte chocolade, tonen van geroosterde mout, koffie en bitter vind je onmiskenbaar terug in dit bier. Maar daar waar Russian Stout nogal eens hard wil zijn, stug en eigenlijk alleen voor de echte liefhebber, daar hebben de paters een mildheid in het bier weten te brengen, zonder op enigerlei wijze afbreuk te doen aan het type. Sterker: dit is misschien wel de beste Russian Stout die ik dronk (en ik heb er nogal wat weggeslobberd…).

Alles aan het bier lijkt te kloppen. De kleur van de vloeistof, de kleur van de kraag. De geur van gedroogd fruit en rozijntjes en van zwarte chocolade. De smaak van chocolade en koffie, met fruit als ondertoon. De stevigheid van het bier en de prettige middellange afdronk. En tegelijkertijd de mildheid. Een heel complex bier, een heel mooi bier…

Het bier komt in flessen van 70 centiliter (wijnfles) en je betaalt er ongeveer een tientje voor. Da’s-nie-niks voor een fles bier, ik weet het. Maar je moet het op z’n minst eens geproefd hebben. Via internet laat men mij weten dat de andere bieren van Spencer ook thuishoren in het hoger kwaliteitssegment.

Klik hier op de link naar Trappistenbrouwerij Spencer

© paul

 

Zon op je bord; aardappelstoofpotje met saffraan.

Spaanse aardappelstoofpot...
Ik hoor veel mensen mopperen over het weer; te weinig zomer, teveel regen… Ik heb zelf niets te klagen gehad. Op mijn vakantiestek in Luxemburg was het weer heel redelijk, soms zelfs erg warm, en weinig regen. Hier is het nu ook even wat beter en mocht het weer omdraaien is dit het recept om een zonnetje op je bord te toveren, dat helpt soms ook!
Aardappeltjes met saffraan en zwarte olijfjes

  • Voor vier personen:
  • 1 kilo kleine aardappeltjes
  •  1 flinke rode ui, in dunne ringen gesneden
  • 3 tenen knoflook, fijngehakt
  •  3 grote rijpe tomaten, in blokjes gehakt
  • een plukje saffraandraadjes
  • een handje zwarte olijfjes, ik gebruikte van die heerlijke Taggiasche van de Costa Ligure, die geven dit gerecht een extra zonnig tintje.
  • 1 glas witte wijn
  • zeezout en peper
  • olijfolie.
  • versgehakte peterselie
  • eventueel wat chilivlokken (wij houden wel van flink pittig en ik gebruik er dan ook flink wat van)

Verwarm de olijfolie en fruit daarin de uienringen en knoflook licht aan. Voeg de tomatenstukjes toe en eventueel de chilivlokken. Week de saffraandraadjes even in de witte wijn. Voeg de wijn met saffraan. Schep een paar keer goed om. Laat het mengsel nu even inkoken. Voeg dan de aardappeltjes bij de saus en giet er zo veel water over dat de aardappeltjes net onderstaan. Breng alles weer aan de kook, zonder deksel, en laat koken tot de saus weer dik en glad is en de aardappeltjes bijna gaar zijn. Voeg de olijven toe en laat nog vijf minuutjes doorsudderen zodat de olijven hun smaak kunnen afgeven. Proef en kruid dan af met peper en zout. Strooi er tenslotte wat versgehakte peterselie over.

Wij aten er een paar lamskarbonaadjes bij van de gril, maar mocht het toch weer regenen, dan voldoet dit zonnig stoofpotje ook prima met een frisse groene salade.

Kopje espresso toe natuurlijk!

© ellen.

Taartje met Mirabellen

IMG_3088Mirabellentijd! De mirabel is een heel kleine, ronde, kersachtige pruim. Meestal geel maar er zijn ook ovale donkerrode rassen. Hier in Nederland zie je ze zelden in de verkoop, maar in het zuiden van Belgie, Luxemburg en vooral Lorraine (FR) zijn de kleine pruimpjes heel populair. In Lorraine worden ze in allerlei gerechten en drankjes verwerkt. Ik at er al eens een kwarteltje gevuld met mousse van mirabellen, vooraf gegaan door een glas champagne met mirabellenlikeur. Lekker! In Frankrijk en het zuiden van België vinden ze dan ook dat de mirabellen uit die streek de beste zijn. We waren eens op een markt in Saint Léger (B) waar twee mirabellenverkopers tegenover elkaar stonden en luidkeels reclame maakten voor hún mirabellen; de ene verkocht mirabellen van de Maas (Cote de Meuse) en de andere mirabellen van de Moezel. Die met de mirabellen van de Maas verkocht aanmerkelijk meer. Chauvinisme? Wie weet. Saint Léger
Er zijn wel degelijk verschillende rassen. Je hebt de ‘Mirabelle de Nancy’ en de ‘Mirabelle de Metz’ maar ook de wat grotere ‘Bellamira’ een Duits ras, ontstaan uit en kruising van Cacanska Najbolja met Mirabelle de Nancy. Maar ook al zijn de Moezelmirabellen wat groter, het blijven erg kleine pruimpjes. Ontpitten met een gewone pruimenontpitter gaat niet, dan knijp je de hele mirabel kapot. Een olijvenontpitter of kersenontpitter is ideaal om de mirabellen te ontpitten. Heb je die niet, dan kun je de vruchten ook gewoon halveren en de pitjes er uit halen. Maar goed, het zijn erg smakelijke vruchtjes, of ze nu van de Maas of van de Moezel komen, ze zijn lekker en je kunt er van alles mee doen. Bij mijn laatste bezoek deze vakantie aan de markt in Arlon werden de eerste mirabellen van dit jaar aangeboden en ik besloot er een taartje mee te maken. Heel simpel; een bodem van fonceerdeeg bedekt met mirabellen. Ik schreef het al vaker, fonceerdeeg is prima in te vriezen. Ik maakte in het begin van de vakantie een hoeveelheid deeg en verdeelde die in drie porties voor 3 taartjes van 24 cm doorsnee.

  • Fonceerdeeg: voor 3 taartjes, 24 cm doorsnee.
  • 250 gram boter
  • 1 ei
  • 250 witte basterdsuiker
  • een snuifje zout
  • 2 eetlepels water
  • 500 gram bloem
  • 10 gram bakpoeder

 

Meng de zachte boter, de basterdsuiker, het zout, het ei en het water. Kneed vervolgens de bloem en het bakpoeder erdoor tot je een mooi egaal deeg hebt. Laat het deeg verpakt in plasticfolie een paar uur rusten in de koelkast. Verdeel het deeg in drie porties en vries er twee in. Rol een portie deeg uit en bekleed er de ingevette vlaaivorm mee.  Steek met een vork wat gaatjes in de bodem..

  • ongeveer 250 gram mirabellen
  • ongeveer 2 eetlepels suiker

Halveer de mirabellen en verwijder de pitjes. Bestrooi de bodem van het deeg in de vlaaivorm met de suiker. De suiker zal het vocht dat tijdens het bakken uit de mirabellen vrijkomt binden en op die manier blijft de bodem toch krokant. Schik de gehalveerde mirabellen met de platte kant naar beneden op de deegbodem. Bak het taartje in een voorverwarmde oven ongeveer 35 minuten op 180 graden.

Lekker met een kopje espresso!

Zie ook: Mirabellenjam en De Mirabellen van Fons

© ellen.

Rijfkoek (aardappelpannenkoekjes)…

Gromperekichelcher (aardappelkoekjes)...
Het woord Reifkoek kom ik op enkele plaatsen tegen, maar ik houd het bij Rijfkoek. Het is een samengesteld woord, waarbij rijf, in een wat verder verleden, de betekenis had van rasp. De Nederlandse naam aardappelkoek of aardappelpannenkoek wordt vaker gebruikt, maar die is toch een beetje saai, dus… Rijfkoek.

Dat het in een heleboel landen een algemeen gerecht is mag blijken uit de hoeveelheid aan vreemde namen die ik voor de Rijfkoek mocht verzamelen. (Er werden intussen ook al aanvullingen aangedragen, ik houd me vooralsnog aanbevolen voor nieuwe, mij onbekende specimen.)

Mijn eerste experimenten met de koeken pakten heel behoorlijk uit. Ik zocht een aantal basisrecepten bij elkaar op internet en zeefde er een soort gemiddelde uit. Het ging als volgt:

  • 1 kilo (geschilde) aardappelen,
  •  250 gram ui,
  • 2 tenen knoflook,
  • 2 eieren,
  • 6 eetlepels meel,
  • flinke hand gehakte peterselie,
  • zonnebloemolie (koolzaadolie),
  • peper en zout.

Rasp de geschilde aardappelen in korte dunne sliertjes. Knijp de geraspte massa met de hand flink uit, zodat je overtollig vocht kwijt raakt en doe de massa in een kom. Hak de ui fijn of rasp hem met een iets grovere rasp en doe bij de aardappelmassa. Druk de knoflook door de knijper en voeg de pulp toe. Strooi de fijn gehakte peterselie over de massa en breek de eieren erbij. Voeg peper en zout toe en strooi er dan het meel over. (De kom zou afgedekt moeten zijn met een dun laagje meel, hetgeen in mijn geval overeenkwam met 6 eetlepels.) Werk nu de massa met de hand krachtig om tot alle ingrediënten een homogene massa vormen.

Verhit nu in een goede koekenpan een flinke laag olie (de koeken moeten zwemmen zegt Ellen). Schep met een lepel een hompje van het deeg in de pan. Druk het deeg plat zodat je een dun koekje krijgt. Wanneer de onderkant van het koekje stevig aanvoelt en mooi goudbruin is aangekleurd, draai het om en laat de andere kant bakken. Wanneer ook die kant goudbruin en stevig is is je koek klaar. Schep uit de pan en laat uitlekken op keukenpapier. En dat is eigenlijk alles…

  • Opmerkingen:
  • Een pover bodempje olie in je pan volstaat niet. De koekjes dienen, volop in de olie, als het ware gefrituurd te worden. Bij weinig olie ben je op een andere manier aan het bakken, het schiet niet op en het eindresultaat is twijfelachtig.
  • Hoe lang je de koekjes moet bakken is niet precies in tijd aan te geven, maar bij het derde exemplaar ben je er wel achter. Het wijst zichzelf…
  • Je moet met de temperatuur van de olie blijven spelen. Bij hoog vuur gaat het op den duur te hard en verbrandt je olie, bij te weinig hitte bakt je koek te langzaam en wordt het te vet. Wanneer je blijft kijken zie je wel wat er gebeurd en kun je adequaat de temperatuur van je vlam, en dus van de olie, bijstellen.
  • De hoeveelheid aardappel die ik gebruikte leverde wel vijfentwintig koekjes op. Dat is natuurlijk teveel voor een bijgerecht bij een maaltijd voor vier personen. Geen nood, de koekjes smaken de volgende dag koud ook prima. Vers en warm is echter altijd te prefereren.
  • Heb je het basisrecept onder de knie dan opent zich een wereld van mogelijkheden. Er kunnen spekjes door de koek, kruiderij naar believen, specerijen naar smaak en verder eigenlijk alles wat je maar lekker vindt.
  • Probeer de Rijfkoek eens met een lik honing, of een klodder confiture. Je weet niet wat je proeft…

© paul

 

Gromperekichelcher…

IMG_3065

De onderstaande opsomming mag je eigenlijk gerust overslaan…

Gromperekichelcher (Luxemburg), Kartoffelpuffer, Reibekuchen (Pommeren, Silesië), Baggers (Frankenland), Bambes, gebackene Glies, Buttermilchglies (Vogtland), Flinsen (Oost-Pruisen), Rievkooche (Keulen), Kartoffelplätzcher, Panneläppcher (Zuid-Hessen), Kardofflkiachla (Baden-Würtenberg), Reiberdatschi, Erdäpfelpuffer (Beieren), Dotsch (Oberpfalz), Abernklitscher (Oberlausitz), Pillekooken (Bergisches Land), Krumpreschnittja, Reivekooche (Vulkaneifel), Rievkooche, Krebbelche, Schnibbelskuchen (Rheinland), Grommbierkischeljer (Saarland), Kartoffelklitscher (Obersachsen), Grumbeerpannekuche (Pfalz), Erbelkrebbel (Hessen), Rievesplätzjer (Westerwald), Krumbirnpöngeli (Unterfranken), Ballnklöß, Franzkung (Oberfranken), Baggerla (Frankenwald), Herdöpfelpuffer (Märkgräflerland), Dädsch (regio Coburg), Dötscher (regio Gotha), Datsch, Detscher (Noordelijk Thüringer Wald), Erdäpfelpuffer, Erdäpfelkrapferl, Kartoffellaibchen (Oostenrijk), Härdöpfelchüechli, Härdöpfeldätschli, Plain de pigna, Micluns (Zwitserland), Latkes, Latkas (Jiddisch), Draniki, Dranki, Krezliki, Kremzliki, Kakorki, (Russisch Askanasi), Levivot, Leviva (Hebreeuws), Bramborák, Cmunda (Tsjechië), Zemiakové placky, Haruľa, Nálečníky (Slowakije), Tócsni (Hongarije), драники Draniki (Witrusland), Tatti fish, Potato pancake ( Engeland), Boxty (Ierland),  Rärakor, Raggmunk (Zweden), Placki ziemniaczane, Placki po węgiersku, Placki kartoflane (Polen), Galette de pommes de terre (Frankrijk), Râpées de pomme de terre, Râpées (Morvan, Loire, Haute-Loire), Criques (Ardèche), Totsche (Elzas), Grùmbèrrekììschle, Grùmbèrreponnkùùche (Moselle), Gromperkicheln (regio Boulay), Gromperpankech ou Gromprepankech (regio Thionville), Vautes aux patate (Franse Alpen), Beignet râpé (Vogezen), Tortel di patate, Fritelle di patate, (Italië), Tortei da patate, Torta di patata (Trentino), Patatnik (Bulgarije), Pli’nce (???), Kartupeļu pankūkas (Letland), Bulviniai blynai (Litouwen), деруни Deruny (Oekraine), Rostipotet, Potetpanekake, (Noors), Kuku sip zamini (Iran), Gamja-jeon (Korea), Panekuk kentang (Indonesië), Hash brown (USA).

In Spanje spreekt men wonderlijk genoeg van Kartoffelpuffer en in Portugal heet het Reibekuchen. In Nederland houdt men het doorgaans op Aardappelpannekoekjes, hoewel er een erg mooi Oud-diets woord bestaat: Rijfkoek. En in Luxemburg heten ze dus Gromperekichelcher.

Je vind die aardappelkoekjes over de hele wereld, maar in Centraal- en Oost-Europa komt het gerecht meer dan veelvuldig voor; elke streek, provincie of stad heeft zijn eigen variant en naamgeving, de basis is altijd dezelfde. Ze zijn soms hartig, soms zoet. Ze worden gegeten met geklopte room, met paddenstoelen, met vlees. Of men besmeert ze met confituur, strooit er suiker over, doopt ze in de honing.

In de Joodse keukens van Oost-Europa schijnt het gerecht een belangrijke en zeer prominente rol te spelen. En voor Slowakije en Luxemburg is de aardappelkoek een nationaalgerecht. In Luxemburg vind je de koekjes bij de traiteur, in de supermarkt, op elk grill-fest en bij iedere vlooien- of jaarmarkt. Er bestaat een literair figuur, een meesterkeukenchef, die de koekjes bakt op de Nationale Jaarmarkt, de Schueberfouer.

Ik verzamelde een aantal namen van het gerecht (99 stuks), maar ik ben me ervan bewust dat dit slechts een kleine selectie is van het totaal. Er zullen nog wel gerechten zijn met zoveel namen, maar ik kan even niet bedenken welke. (Voor aanvullingen houd ik me overigens warm aanbevolen.)

Gisteren dan heb ik ze eindelijk eens zelf gemaakt. Geheel naar eigen inzicht, maar mét behoud van de traditie. Een dezer dagen zal ik ze voor je beschrijven. Mijn uitprobeersels pakten goed uit. Ellen en Julia waren trots op me…

© paul

Aanvulling: Riefkeukskes (Ned. Limburg, met dank aan Martine…) Fratzen, Tötinger, ( Zuid-Duitsland, met dank aan Piet…), Döppekooche, Dibbelabbes (Rijnland, met dank aan Piet…). Revierreibekuchen, Püfferkes (Ruhrpott.), Dyruny (Oekraïne.), Kartoffelkrapferl, Reiberdatschi, Erdäpfelomelette, (Oostenrijk), Grumbeerekiechle (Elzas), Bimuelos de patatas (Judeo-Spaans).

Vroeg Eekhoorntjesbrood…

Boletus aestivalis (Boletus reticulatis)...

Gisterochtend plukte ik de eerste paddenstoelen van dit seizoen. En het was raak ook, want het betrof het broertje van het Eekhoorntjesbrood, namelijk de Boletus aestivalis, de paddenstoel die de Duitsers Sommer-Steinpilz noemen. Ik heb wat ruzie gemaakt met nachtcollega Johan, paddenstoelenliefhebber en voorzichtig plukker, net als ik. Hij had de paddenstoelen al eerder gespot en hij noemde ze Boletus reticulatis, oftewel Vroeg Eekhoorntjesbrood.  We kwamen er samen niet uit, want de ene nog eigenwijzer dan de ander…

Toen ik dan in alle rust thuis een en ander nog eens navlooide, de tafel bedekt met alles wat ik aan paddenstoelengidsen in huis had, kwam ik tot het belachelijk inzicht dat we beiden gelijk hadden: de namen worden namelijk door elkaar gebruikt. Spreekt men in Frankrijk intussen steeds vaker van B. reticulatis, in Italië houdt men het bij de oude naam B. aestivalis. In Duitsland worden de namen dan weer door elkaar gebruikt. Hier ten lande lijkt men te tenderen naar B. reticulatis. (Aestivalis betekent: van de zomer, terwijl reticulatis verwijst naar de nettekening op de steel van de paddenstoel.)

Is dat nou zo belangrijk, dat geleuter over die namen, vraag je je misschien af. Mijn antwoord: ja, dat is belangrijk! Bij paddenstoelen (plukken) is het altijd belangrijk te weten met wie je van doen hebt. Ik kwam in mijn loopbaan als paddenstoelenplukker al zoveel kulverhalen tegen, allemaal van zogenaamde kenners; ik zou er een boek over kunnen schrijven. Baarlijke onschuldige nonsens hoorde ik, maar ook levensgevaarlijke nonsens. Dus: zoek altijd uit wat je plukt en sla nooit aan het gokken…

Hoewel er wel degelijk verschillen zijn in het uiterlijk is het vaak moeilijk om het Vroeg Eekhoorntjesbrood te onderscheiden van het Gewone Eekhoorntjesbrood (Boletus Edulis). Het maakt in dit geval niet uit, het zijn allebij uitstekende spijspaddenstoelen. Ze smaken naar elkaar, waarbij het Gewone Eekhoorntjesbrood dan nét mijn voorkeur geniet. Daar komt nog bij dat het Vroeg Eekhoorntjesbrood vrij snel slap kan worden door overdadige opname van water. De paddenstoel wordt dan ongenietbaar.

Enfin, het einde dus van het meningsverschil met de collega. En aangezien  ik de paddenstoelen plukte op het terrein van onze Broodheer, maar Johan ze al eerder had zien staan, besloot ik om ze dan ook maar samen te eten. We waren ten slotte een hele week nachtcollega’s en ‘s nachts moet de mens zich ook voeden, nietwaar… Het recept was beproefd en simpel van aard, maar die overheerlijke paddenstoelen behoeven geen ingewikkelde bereiding. Het is net zoals met asperges: de eerste van het jaar eet je zo simpel en klassiek mogelijk. Het ging zo:

Snipper een sjalot heel fijn en doe hetzelfde met twee tenen knoflook. Bak ze vervolgens in half boter, half olie op een niet te hoog vuurtje. Wanneer de ui glazig oogt gaat er een handje dobbelsteentjes gekookte ham bij en mogen de in dobbelstenen van anderhalf à twee centimeter gesneden paddenstoelen erbij. Het vuur even mag iets hoger. Mogelijk moet er dan ook nog wat vetstof bij, paddenstoelen slobberen olie. Na een paar minuten gaat er een flinke scheut bouillon bij. Breng op smaak met peper en zout en laat nu de paddenstoelen gaar stoven op en laag vuurtje (met eventueel de deksel op de pan). Tegen het eind van de gaartijd wordt er een flinke scheut room aan de massa toegevoegd. Kook de massa in tot de sausdikte zoals jij hem wilt hebben. Een beetje groen erdoor, peterselie of eventueel basilicumblaadjes, en je maaltje is klaar. Goed brood hoort er uiteraard bij, en natuurlijk een kop espresso toe.

P.s.: de foto stamt uit de oertijd van onze website. Het gerecht zag er nu, elf jaar later, precies zo uit. De foto werd gemaakt op 3 augustus 2006, dus die dag aten we ook Boletus aestivalis, ach vooruit, Boletus reticulatis. Zo goed Johan?

© paul

Het Ministerie is twaalf jaar geworden…

Crémantkurken...

Breng je de leeftijd van het Ministerie terug naar de menselijke maat dan mag je ervan uitgaan dat het Ministerie ergens in het afgelopen jaar de pubertijd is binnengegleden. Hoe dat in de toekomst uitpakt is voor ons een vraagteken. Tot nog toe hebben we er weinig van gemerkt, maar wat niet is kan nog komen.

Voorlopig heeft het Ministerie de twaalf jaren volgemaakt. Jaren waarin we nieuwe lezers hebben begroet en jaren waarin we van andere afscheid moesten nemen. Jaren waarin zo’n 3720 (drieduizendzevenhonderdtwintig) artikeltjes werden geschreven (én gelezen). Jaren waarin we alles bij elkaar een paar miljoen bezoekers trokken. Jaren waarin lezers lief en leed met ons deelden.

Met name de laatste tijd wordt er aanmerkelijk minder gereageerd op de website. Dat komt doordat nogal wat lezers ons bereiken via Facebook en daar dan hun reacties achterlaten. Evengoed stegen onze bezoekersaantallen door de jaren naar ruim 800 lezers per dag. Lezers die daadwerkelijk een of meerdere pagina’s openklappen (want anders kan onze telmachine ze niet zien). Bedenk daarbij dat een hoop lezers slechts nu en dan langs komen en je kunt het totale bereik aan bezoekers met tig vermenigvuldigen. En op zo’n aantal bezoekers zijn we trots.

Door de jaren heen zijn we wat minder gaan schrijven. Twee, drie artikeltjes per dag, zoals in het begin, is niet vol te houden en het is de vraag of het zinvol is. Voor korte eet- en drinkberichtjes is Facebook een veel beter medium. Wij houden het op de website dan ook op meer uitgebreide artikelen, maar wel minder. En intussen vallen we  regelmatig in herhaling, ook daar ontkomen we niet aan. Maar een degelijke steekproef onder onze bezoekers leerde dat men daar als lezer geen enkele last van heeft. Een pak van ons hart, want het blijkt niet mogelijk om twaalf lange jaren altijd origineel te zijn.

De nieuwsgierige lezer heeft intussen natuurlijk het eerste-artikel-ooit van het Ministerie opgezocht en ziet als aanvangsdatum 3 augustus 2005 staan. Dat is geen vergissing maar een ingeslopen fout buiten onze schuld om. En die fout is niet meer te herstellen zonder de beginartikelen te verminken. Hoe dat technisch allemaal in elkaar steekt weet ik niet, en dat wil ik graag zo houden. Feit is dat het Ministerie haar eigen aanvang antidateert. Enfin, het zij zo.

Wat de toekomst brengt kan niemand weten. Het Ministerie kan slechts beloven haar best te blijven doen, noest door te schrijven en naar behoren te publiceren. En intussen vieren we een klein feestje. Champagne wil er niet aan te pas komen. Maar een mooie fles Crémant zal het toch moeten ontgelden. Een uit Bourgogne, mogelijk uit de Loirestreek of misschien wel uit Luxemburg. De keuze is nog niet gemaakt.

Wees gegroet lezer, namens Ellen en Paul!

© paul

 

Chocoladeijs

Chocoladeijs...
In het artikel over abrikozenijs met lavendel schreef ik dat ik bijna geen ijsrecepten of boeken over het maken van ijs kon vinden. Daar kwamen een aantal reacties op met tips voor boeken en recepten. Dank aan Nicolet en Margje. Na goed zoeken vond ik uiteindelijk bij de betere boekhandel hier in Luxemburg toch een boek over het maken van ijs dat aan mijn vraag voldoet: “Eiscreme” van Eliq Maranik. Duidelijke uitleg, een stukje geschiedenis en veel verschillende ijssoorten. Ik wist bijvoorbeeld niet dat in veel ijsbereidingen ook eidooiers worden gebruikt om een betere binding te krijgen. Nicolet schreef daar in haar reactie ook al over. Een etentje met Evert, Neel, Julia Janna en Paul leek me een goede aanleiding om nog eens ijs te maken, maar nu volgens een recept uit het boek. Zachtbitter chocoladeijs. Mijn ijsmachientje is maar klein dus ik halveerde de hoeveelheden.
Voor ongeveer 600 ml chocoladeijs:

  • 125 gram chocolade van 70 %
  • 1 vanillestokje
  • 200 gram slagroom
  • 200 ml volle melk
  • 1 flinke eetlepel honing
  • 2 eidooiers
  • 60 gram fijne suiker

Hak de chocolade in kleine stukjes. Snijd het vanillestokje in de lengte open en schraap het merg er uit. Doe de room, melk, vanillemerg en de honing in een pan met een dikke bodem. Klop de eidooiers met de suiker in een ruime kom tot je een zachtgele schuimige massa hebt. Verwarm het room- melk, vanille, honingmengsel tot het aan de kook is.  Voeg dit mengsel beetje bij beetje bij het eimengsel en klop goed. Doe alles weer terug in de pan en laat het zachtjes, onder goed roeren een minuut of twee indikken. Het mengsel mag niet koken want dan gaat het ei schiften.

Haal dan de pan van het vuur en klop er met een garde de chocoladestukjes door. Klop tot alle chocolade gesmolten is. Laat de crème in een ijskoud waterbad afkoelen. De crème met plasticfolie afdekken en 4 tot 12 uur in de koelkast laten rusten.

Dan de massa in de ijsmachine doen en ongeveer een half uur  laten draaien tot het bevroren is. Je kunt het ijs meteen serveren of anders in een plasticdoos bewaren in de diepvries. Als je het ijs nog even wilt bewaren dek het dan eerst af met keukenpapier en haal het 15 minuten voor het serveren uit de diepvries zodat het niet al te hard bevroren is en de smaak beter tot zijn recht komt.

Van harte aanbevolen! Wij vonden het heerlijk!

© ellen.