In afwachting van: Rata rapide…

Rata rapide (pommes au lard)...

Het boek heet À LA SOUPE! Le repas du poilu. Het bevat een verhandeling over eten en koken in en om de Franse loopgraven van de Eerste Wereldoorlog. Ik ben al dagen bezig aan een artikeltje over de publicatie, maar ik kan er geen fatsoenlijk einde aan breien. En dat is jammer, want ik had je het artikel willen presenteren op de dag dat het precies 99 jaar geleden was dat de Grande Guerre, die verwoestende Eerste Wereldoorlog, beëindigd werd, op 11 november 1918. Je mag nu dus nog een dag of wat op wachten op mijn schrijfsel.

Wel heb ik al gekookt uit het boek, er staan namelijk ook recepten in. Het rata rapide mag vrij vertaald worden met ratjetoe-snel-klaar. Het is een eenvoudig gerecht van aardappelen, spek en uien, en het levert een voor die tijd volledige maaltijd op. In 1914 ging men ervan uit dat een maaltijd compleet was wanneer die de componenten eiwit, koolhydraten en vetstof bevatte. Ik beschrijf het recept voor vier personen, zelf maakte ik een kleinere hoeveelheid klaar.

  • 2 kilo vastkokende aardappelen,
  • 100 gram gerookt spek,
  • 1 grote ui,
  • water,
  • peper en zout.

Schil de aardappelen, snijd ze in schijven en kook ze min of meer gaar. Snijd het spek in kleine dobbelsteentjes. Hak de ui in dunne ringen. Laat vervolgens het spek in een stoofpan uitsmelten en doe er dan de uien bij. Laat de ui op een middelhoog vuur glazig worden. Vervolgens worden de aardappelen toegevoegd en voorzichtig, maar grondig omgeschept. Daarna gaat er zoveel water bij dat het geheel nét onderstaat. Breng op smaak met wat peper en eventueel zout. De zaak mag stoven op een niet te laag vuur, zodat een deel van de vloeistof kan verdampen. Na een minuut of vijftien is je potje klaar, de ingrediënten drijven in een mooie dikke sausachtige bouillon. Dien heet op…modelbouwtentoonstelling Ethe (Gaume)

  • Opmerkingen:
  • Twee kilo aardappelen is niet niks, je kunt gewoon wat minder nemen.
  • Ons spek is over het algemeen minder vet dan dat van 100 jaar geleden, ik moest wat extra boter toevoegen om de uien mee te kunnen bakken. Let overigens op met extra zout, je spek is al gezouten. En heb je de aardappelen gekookt in gezouten water dan hoef je in het geheel geen zout meer te gebruiken.
  • Houd de vloeistof in de gaten.
  • Het gerecht is gemaakt naar basisrecept. In alle keukens van de Eerste Wereldoorlog ging men ervan uit dat soldaten hun maaltje zelf wel opleukten. Dat heb ik ook gedaan.
  • Stel je voor: die ene verdwaalde Waalse soldaat die je Franse regiment was komen versterken bracht van thuis een zak Plate de Florenville mee. Nou, dan konden ze op het hoofdkwartier toch mooi hun varkensaardappelen zelf houden. En dat ranzige spek trouwens ook, want Jean uit de Gers had van zijn schoonvader een zij van het prachtigste spek meegekregen. Ongeblutste uien waren er wel te krijgen bij een vrouwtje dat met groente ventte, achter de linie. Misschien verkocht ze zelfs wel sjalotjes. Het zout kwam gewoon van de regimentsveldkeuken, maar de peper was van Pierre. Hij had wel een kwartpond op voorraad. Jammer alleen dat Jérôme uit Bourgondië op verlof was, naar de verse peterselie kon je dit maal wel fluiten.
  • Poilu uit de titel van het boek is de algemene benaming van de Franse infanteriesoldaat. Het betekent letterlijk: de Behaarde

© paul

Voor dit stukje maakte ik gebruik van mijn artikel van 20 maart 2015.

Halloween… van enge vingers en lieve zusjes…

20171028_111200Tja, wat wil je er mee? Halloween… ik was er niet zo mee bezig… gewoon vergeten… Tot ik vanmorgen bij onze plaatselijke super mijn inkopen ging doen… De Zusjes Pullens, zo heten ze eigenlijk allang niet meer (getrouwd, andere naam), maar voor mij nog altijd gewoon de zusjes Pullens, demonstreren bij onze plaatselijke Super zo af en toe hun kookkunsten. Meestal zus Jitka, maar nu ook zus Rozemarijn. Zij koken of bakken in de supermarkt het gerecht van de week. Je krijgt er een Aha recept bij en een voorproefje van hoe het zou kunnen smaken. Vandaag was ik heel verrast; de twee zussen bakten ‘enge’ koekjes voor Halloween… Afgehakte vingers met amandel… Brosse koekjes met spinnenwebdessing…

Gezellig in de Super, gezellige buurt, mooie ideeën en alles wat een mens maar kan inspireren om een beetje fatsoenlijk zelf te gaan koken is goed. Ik nam met mijn telefoon een fotootje van de zusjes en vertrok met mijn karretje huiswaarts.

Daarna werd het hier in huis heel druk: ik bakte een taart in drie etappes. Ons Kind met haar kind Jop kwam eens kijken en vrienden kwamen op bezoek om te horen hoe onze vakantie geweest was… druk, druk ,druk. Intussen ik had die taart al gebakken, maar ik had nog zo’n onbeduidend klompje deeg over…

En toen iedereen weg was kon ik het niet laten… “Het nageltje is een amandeltje” zei Rozemarijn… “Beetje rode kleurstof voor de nageltjes”… Heerlijk! Mijn overschotje deeg werd dus een Halloweenknutsel… Ach, laat mij nou ook eens spelen… IMG_4132

Kopje espresso toe mag wel nu..

© ellen

Weer thuis (met trechtercantharellen)…

Trechtercantharel (cantharellus tubaeformis)...

Nog voor je bijgekomen bent van de heenreis sta je alweer in te pakken voor de terugtocht. Een week is écht niks…

Gisteravond namen we afscheid van Louise en Luc, gastvrouw en gastheer van ons Bourgondisch onderkomen. Acht nachten mochten we verblijven in dat comfortabele huisje aan de rand van de Morvan. Cultuur snoven we overvloedig, maar ook deelden we de geneugten van eindeloos glooiend landschap en diepe, diepe bossen. Goede weekmarkten leverden een keur aan culinaire vondsten op, zo ook het bezoek aan deze en gene kleine producent van exquise etenswaar en dranken.

Het afscheid vond plaats aan de robuuste keukentafel van Louise en Luc. We dronken er de wijnen uit Bourgogne, maar ook die uit de Beaujolais en we sneukelden er kaas uit de Franche-Comté. De conversatie in ons Steenkolenfrans verliep lang niet slecht, met dank aan het geduld en de welwillendheid van Luc en aan de taalvaardigheid van Louise.

We kregen het over de jacht. Want dat is een belangrijke bezigheid voor veel inwoners van de Morvan, zeker rond deze tijd. Jacht op de trekduif, op de fazant, de kwartel en  de patrijs. Jacht ook op roodwild en het everzwijn (ik zag zeven van die kanjers voorbijwandelen toen ik brood ging kopen in het naburige dorpje).

Via de jacht kwamen we al snel op al die andere zaken die Moeder Natuur aan de Morvan te bieden heeft. Wilde knoflook en wilde asperges, wilde zuring en wilde peen. Allerhand bladrijk groen, karmazijn rode frambozen, wilde aardbeitjes en een overdaad aan vette bramen. Verlaten bongerds leveren appel, peer, mirabel, pruim en kweepeer. Alles te geef, alles te verzamelen, alles te eten, alles te conserveren…

En dan die paddenstoelen! Een soortenrijkdom en een hoeveelheid aan vindplaatsen waar ik alleen in mijn stoutste dromen over durf te denken. En Luc kende ze allemaal, de goede en de slechte. Hij vertelde over de diverse kwaliteiten, de plukwijze en de manier om ze te bewaren. (En eindelijk zat ik dan aan tafel met iemand die écht verstand van paddenstoelen had, ik werd er helemaal blij van..)

Enfin, op enig moment stiefelde Luc naar zijn voorraadkasten en haalde een weckpot met gedroogde paddenstoelen te voorschijn. Op tafel spreidde hij een krantje uit en stortte er vervolgens een respectabele hoop van het spul op, Chanterelle grise in het Frans. Boven de tafel verspreidde zich de geconcentreerde geur van de paddenstoelen; aards, bossig, vettig en rijk. De gedroogde waar verdween vervolgens in een papieren zakje dat zorgvuldig werd dichtgeniet. (Ook in Frankrijk gelden, net als bij ons, wat vreemde regels voor wildplukken en het vervoer van de geoogste waar…) Het was het afscheidsgeschenk voor ons…
Enfin, intussen zit ik thuis achter de laptop dit stukje te tikken terwijl Telemanns’ kunstjes uit de speakerboxen kwinkeleren. Ellen werkt haar Facebookpagina bij en Hond Jaros verkent z’n eigen huis, ronde na ronde. Om zich dan weer uitgeput in zijn vertrouwde mand te storten. Het beest heeft het moeilijk.
Jop was zojuist even op bezoek, samen met zijn ouders. Toen Ellen gisteren een actiefoto van mijn persoontje appte naar de peuter dacht hij dat het een kiekje van de Tuinman was. Snap jij dat nou? Ik noem onze Jop sindsdien Gartenzwerg, ‘n koekje van eigen deeg: peuters van nog geen turf hoog moeten niet denken dat ze zich alles kunnen permitteren. En ach, het is uiteindelijk ook goed voor z’n meertaligheid. Jop vindt het best…
Ten leste: Louise en Luc, dank voor jullie gastvrijheid, dank voor de plaats waar we mochten logeren. Wij gaan elkaar nog eens zien…
© ellen-paul
 

Krautstrunkglas…

Krautstrunkglas...

Je zult het fenomeen beslist ook kennen. Je hebt in de loop van een dag massa’s visuele indrukken te verwerken. Je geeft al die indrukken een plaatsje, je klassificeert en ordent ze. Uiteindelijk verdwijnen ze in een laatje van je brein, vanwaaruit je ze nu en dan, en naar believen, op kunt roepen. Meer is niet nodig en anders wordt je gek…

Maar dan is er zomaar die ene indruk. Die indruk die zich voortdurend opdringt. Die indruk die je kennelijk niet goed hebt geneutraliseerd. Die indruk die almaar opduikt en je gedachtenstroom ontregeld. Je weet niet waarom en je weet niet hoe het te stoppen. Iets dergelijks overkwam mij met dat glas…

We hadden die dag wat te vieren, Ellen en ik. Het vijfenveertig jaren samenzijn werd beklonken met een voortreffelijke maaltijd in een restaurant in het Duitse plaatsje Kalkar. Jong everzwijn in een kruidenjasje en tafelspitz in een romige mierikswortelsaus. Een glas champagne en Spätburgunder als begeleider, een kopje espresso toe.

Na de maaltijd bezochten we een klein museum in het naburig stadje Xanten. Dat museum beheert het cultureel erfgoed van het voormalig stadsklooster Stift Xanten. Met name de bibliotheek is indrukwekkend. Vijftienduizend banden uit de 17e,18e en 19e eeuw, 450 incunabelen (wiegedrukken) en een aantal middeleeuwse handschriften, gebeds- en getijdenboeken. Verder toont het museum kerk- en kloosterschatten van bijzondere kwaliteit, daterend van de vroeg middeleeuwen tot aan de Franse revolutie. Het was daar dat ik dat glas zag staan…

Er omheen stonden vitrines met reliekhouders, prachtig gesneden uit ivoor en been, de oudste daterend uit de tijd dat de Romeinen nog de scepter zwaaiden aan de Duitse Rijn. Er stonden kistjes van zilver en kistjes van goud, kistjes van edele houtsoorten en kistjes van siersteen. Allemaal bewerkt met het grootste vakmanschap, en allemaal met als doel wat stoffelijke resten van deze of gene katholieke heilige onder te brengen. En daar, tussen al dat kunstgeweld van fijnste makelij stond dus dat glas een beetje dof te wezen…

Koolstronkglas heet dat type (hoewel eigenlijk over de hele wereld, en ook bij ons dus, de Duitse naam wordt gebruikt: Krautstrunk). De naam spreekt voor zich, het ziet eruit als een koolstronk, een stengel waar de bladeren van zijn afgetrokken. Dit soort glazen werd in de 15e en vroege 16e eeuw geblazen in Duitsland en Nederland. Het was gebruiksgoed voor de beter gesitueerden; er werd bier en wijn uit gedronken. Maar ook konden de glazen ingezet worden bij de viering van de heilige mis, wanneer het ontbrak aan de gebruikelijke metalen kelk. Én ze werden sporadisch gebruikt als relikwiehouder, zoals bij het glas hier het geval is. Wiens stoffelijke resten in het glas zaten weet ik niet, maar omdát ze erin zaten stond het glas in dit kabinet.

Omdat de Venetianen de kunst van het vervaardigen van edel glas van de Romeinen erfden, en omdat de Venetianen al vroeg in de geschiedenis rijk en machtig waren, eisten zij het monopolie op voor de glasblaaskunst. Geen glas ging de wereld in of het had de goedkeuring van de Venetiaanse heersers, geen glas ging de wereld in of er werd fors betaald voor de verfijndheid, de slankheid, de helderheid van het Venetiaanse glas. Het recept voor zulk glas bleef exclusief en geheim.

Dat zinde de goegemeente in Noord-Europa natuurlijk geenszins en men ontwikkelde met vallen en opstaan een eigen procédé ten einde zelf de interne markt te bedienen. Men ontdekte dat zuivere as van beukenhout en adelaarsvarens samen met kwartszand een grondstof vormde voor de glasvervaardiging. Er ontstonden dan ook op beperkte schaal industriëen; in Bohemen, in Duitsland, in de Lage Landen. Bosglas of Woudglas (de Duitse term Waldglas is meer gangbaar) ging het eindproduct heten.

Het eindproduct was glas, o ja. Maar wel troebel glas, altijd gekleurd, en altijd té dikwandig. De versiering was lomp en er zaten luchtbellen in, alsof het een handelsmerk was. Dat was de stand van zaken in de noordelijke gebieden van Europa aan het eind van de middeleeuwen en het zou nog een enkele eeuw duren vooraleer men de échte verfijningen van het glasblazen onder de knie kreeg. (Deels met kennis, gestolen in Venetië…).

Enfin, ik zag het glas en het raakte me onmiddellijk. Maar ach, er waren veel meer zaken in dat museumpje die me raakten: handgeschreven boeken met minutieus geschilderde afbeeldingen, ingekleurde renaissanceprenten, Romeinse godjes en fabelachtig gesneden gotische beelden. Ik stopte het glas dan maar weg in de krochten van mijn brein, in de overtuiging er op een later tijdstip nog eens aan terug te denken, er nog even van te genieten. Het liep anders.

Op de meest onverwachte tijden verschijnt het glas achter mijn netvlies. En het feit dat ik er een foto van heb zal daar zeker toe bijdragen. Het blijft maar spoken in mijn kop en het overvalt me op momenten dat ik veel belangrijkers te doen heb dan zwijmelen over een middeleeuws glaasje. Waarom, vraag ik me af. Ik heb geen antwoord.

Misschien komt het omdat het glas als een lelijk eendje tussen als dat kunstgeweld met een grote K stond gepresenteerd (ik was altijd al voor de underdog). Mogelijk is het de onvolkomenheid van het object die me ontroert, wie zal het zeggen…

Zie ook: StiftsMuseum Xanten.

© paul

 

Kastanjemans op zondagochtend…

 

7 oktober 027
Ik heb vannacht gewerkt en laat nu in het ochtendgloren nog even de hond uit, Ellen heeft daar dadelijk geen tijd voor.

Op de ochtendwandeling zie ik ze liggen, de paden van de Gemeentetuin zijn  bezaaid met verse kastanjes. Het lijkt me rijkelijk vroeg in het jaar. Misschien werpen de paardenkastanjes eerder vrucht omwille van hun deplorabele gezondheidsstaat, de meeste bomen zien er verschrikkelijk uit. Ik vind overigens ook al eikeltjes…

Je kunt er niks mee, met die bruin glimmende bollen. Met eikels wel, die zijn nog goed voor de varken. Maar de vruchten van de paardenkastanje? Eten kun je ze niet, en een andere bestemming dan ermee knutselen kan ik me niet bedenken. Maar ik kan het niet laten, ik raap kastanjes altijd op. Prachtig glanzen ze tussen de dorre bladeren op de grond, ik prop mijn broekzakken er vol mee.

Ik maak een mannetje, maar een hond had ook gekund. Of een slang, of een halsketting… (Ooit maakte ik een Pterodactilus!)
Het einde van de winter halen ze nooit, mijn figuurtjes. Ze verliezen glans, ze drogen in, armpjes en beentjes gaan los zitten of breken. Net het echte leven…

Jop, die bij ons logeert, vindt het wel mooi en wil ermee spelen. Maar het poppetje is te breekbaar voor zijn forse kinderknuisten (wat kan zo’n jong van een paar turven hoog al een kracht zetten…).

Ellen bakt intussen croissants, we ontbijten met z’n drieën. Een gekookt eitje hoort er bij, een pyjamapapje, sterke koffie en voor mij een goed glas wijn. Ik heb nog een nacht te gaan en kruip daarom zo meteen in bed. Ellen gaat eendjes voeren met Jop. Vindt-ie leuk…

© paul

Het Ministerie is twaalf jaar geworden…

Crémantkurken...

Breng je de leeftijd van het Ministerie terug naar de menselijke maat dan mag je ervan uitgaan dat het Ministerie ergens in het afgelopen jaar de pubertijd is binnengegleden. Hoe dat in de toekomst uitpakt is voor ons een vraagteken. Tot nog toe hebben we er weinig van gemerkt, maar wat niet is kan nog komen.

Voorlopig heeft het Ministerie de twaalf jaren volgemaakt. Jaren waarin we nieuwe lezers hebben begroet en jaren waarin we van andere afscheid moesten nemen. Jaren waarin zo’n 3720 (drieduizendzevenhonderdtwintig) artikeltjes werden geschreven (én gelezen). Jaren waarin we alles bij elkaar een paar miljoen bezoekers trokken. Jaren waarin lezers lief en leed met ons deelden.

Met name de laatste tijd wordt er aanmerkelijk minder gereageerd op de website. Dat komt doordat nogal wat lezers ons bereiken via Facebook en daar dan hun reacties achterlaten. Evengoed stegen onze bezoekersaantallen door de jaren naar ruim 800 lezers per dag. Lezers die daadwerkelijk een of meerdere pagina’s openklappen (want anders kan onze telmachine ze niet zien). Bedenk daarbij dat een hoop lezers slechts nu en dan langs komen en je kunt het totale bereik aan bezoekers met tig vermenigvuldigen. En op zo’n aantal bezoekers zijn we trots.

Door de jaren heen zijn we wat minder gaan schrijven. Twee, drie artikeltjes per dag, zoals in het begin, is niet vol te houden en het is de vraag of het zinvol is. Voor korte eet- en drinkberichtjes is Facebook een veel beter medium. Wij houden het op de website dan ook op meer uitgebreide artikelen, maar wel minder. En intussen vallen we  regelmatig in herhaling, ook daar ontkomen we niet aan. Maar een degelijke steekproef onder onze bezoekers leerde dat men daar als lezer geen enkele last van heeft. Een pak van ons hart, want het blijkt niet mogelijk om twaalf lange jaren altijd origineel te zijn.

De nieuwsgierige lezer heeft intussen natuurlijk het eerste-artikel-ooit van het Ministerie opgezocht en ziet als aanvangsdatum 3 augustus 2005 staan. Dat is geen vergissing maar een ingeslopen fout buiten onze schuld om. En die fout is niet meer te herstellen zonder de beginartikelen te verminken. Hoe dat technisch allemaal in elkaar steekt weet ik niet, en dat wil ik graag zo houden. Feit is dat het Ministerie haar eigen aanvang antidateert. Enfin, het zij zo.

Wat de toekomst brengt kan niemand weten. Het Ministerie kan slechts beloven haar best te blijven doen, noest door te schrijven en naar behoren te publiceren. En intussen vieren we een klein feestje. Champagne wil er niet aan te pas komen. Maar een mooie fles Crémant zal het toch moeten ontgelden. Een uit Bourgogne, mogelijk uit de Loirestreek of misschien wel uit Luxemburg. De keuze is nog niet gemaakt.

Wees gegroet lezer, namens Ellen en Paul!

© paul

 

De Peultjes van Boer Skukhorzel…

IMG_2707
In een ver verleden deelden wij onze werkplek, Boer Skukhorzel en ik. Nachtenlang hebben we samen gezeten, gewerkt, gepraat, gesteggeld. Dat we elkaar uit het oog verloren heeft te maken met beider keuzes bij het verloop van onze loopbaan. En natuurlijk het feit dat Skuk in Langerak bij Doetinchem ging wonen, honderd kilometer van mijn woonplaats.

Boer Skukhorzel bereikte intussen de pensioengerechtigde leeftijd en kan zich tegenwoordig geheel toeleggen op wat hij altijd al als zijn kerntaak zag: namelijk boeren. Voorts toont hij zich beschermheer van de hobbykip (hoewel de vos uit het aanpalend beemdgebied aardig huishield in de kippenren). Skuk biedt op zijn landgoed domicilie aan een twintigtal soorten vogels, aan de marter en aan de eekhoorn. Hij klooft er zijn stookhout en biedt burenhulp. En hij boert…

Vorige week waren Vriend Jan en ik een middag bij Skukhorzel op bezoek. Enfin, herinneringen ophalen en de toekomst bespiegelen, oude koeien uit de sloot trekken, roddel en achterklap verkopen. Zo’n middag lezer, zo’n middag. En natuurlijk stapten we rond tussen de cultuurgewassen van Skukhorzels tuindersbedoening.

In andere tijden verzorgde Skukhorzel het Ministerie met preien, kropsla, uien, doperwten, tuinbonen en piepers. Sterappeltjes ook, zonzoete aardbeien en kakelverse eieren. Jarenlang kwam een belangrijk deel van de verse kapucijners die het Ministerie jaarlijks verwerkt uit Skukhorzels dreven. We waren dit jaar echter te vroeg. De paarszwarte peulen hingen er wel, maar waren nog niet uitgerijpt. Wel kregen we bij afscheid een flinke kook peultjes mee. En daarmee kom ik bij de kern van de zaak. Want ik wilde je even waarschuwen.

Het is nu tijd voor peultjes van eigene bodem. En eenieder die zich erop laat voorstaan qua eetgewoonten het gezonde te paren aan culinair genot moet er dus nu op uit. Want ze zijn er maar even, die miniboontjes van de koude grond. En een lekkerder groente is nauwelijks te bedenken. Je kunt ze betrekken via Boer Skukhorzel, maar de afstand zal voor de meesten van ons een bezwaar wezen. Dus…

Zet je groenteboer onder druk, struin de betere boerenmarkten af, bezoek de tuinder of belaag de hobbyist met het volkstuintje. Maar zoek naar vers van eigen bodem en zoek nu!

Ik wil maar zeggen…

© paul

Vakantie met lifters…

lifters, Aire de Capellen
Terwijl Julia het beest vlooide en Hond Jaros beloofde als dank huis en haard te beschermen met het vege lijf, reisden wij af naar onze vakantiebestemming. We gingen op weg naar Frankrijk, met een tussenstop en overnachting in Luxemburg.

We hebben een onderkomen gehuurd in de buurt van Chatillon-sur-Seine, ergens in het noorden van Bourgondië; op de grens van de departementen Yonne en Côte d’Or, pal onder de Champagnestreek. Het is zo’n streek waar je talloze malen doortrekt maar nooit stopt: er lijkt weinig te beleven. Enfin, we zullen het zien…

Al vanaf het vertrek thuis ging het erover waar we zouden lunchen; er zijn op de route Eindhoven – Stadt Luxembourg nogal wat etablissementen die in aanmerking komen, mits je de autoweg links, dan wel rechts laat liggen. Toch viel al snel het besluit om de lunch heel beperkt te houden, er zou die avond tijd genoeg zijn om in Luxemburg een goed restaurant te zoeken. De ingekorte lunch zou gesnackt worden aan de autostrade.

We waren het erover eens dat we zouden stoppen bij tankstation de Knuvelkes, dat gelegen is kort na Maastricht en net voor de grensovergang met België. Op enig mystiek maar helder moment echter herinnerde ik me de bamiblok die ik er ooit kocht. Ik nam het ding vast bij de ene punt en spontaan zakte de ander punt naar beneden, een perfecte hoek van negentig graden vormend. Kwestie van vettigheid, slechtgebakkenheid, belabberdheid en algehele slapte…

Zonder verder overleg nam ik de eerste de beste afslag naar het eerste het beste tankstation in Midden-Limburg, dat gelukkig luisterde naar de vertrouwenwekkende naam het Anker. Enfin, aan de snacklunch moet ik verder geen aandacht besteden. Vette hap is vette hap en de Midden-Limburgse truck-stop-cateraars doen nauwelijks onder voor hun zuiderburen. Wel vriendelijk volk overigens, erg vriendelijk volk…

Maar wat nu als… (Mijn geschiedkundige vrienden worden doodziek van dit soort overwegingen, ze nemen me daarom nog zelden serieus.) Maar wat nu als?..

Wat als we doorgereden waren naar de Midden-Ardennen om aan te leggen bij Restaurant Fleur de Thym in Les Sables d’Olonne? Wat als we de slappe kledder van de Knuvelkes voor lief hadden genomen? Nou lezer, dan hadden we nooit die gasten ontmoet uit Groningen. Da’s toch een wondertje…

Ellen blijft volhouden dat zij ze als eerste had gezien, daar op dat dorre grasveldje van die uitspanning. Jongvolk in blauwe hesjes, en één ervan droeg een kartonnen schildje met daarop getekend Luxemburg (Luxembourg?). En ze dacht nog: wie wil er nou naar Luxemburg?.. Enfin, om een lang verhaal kort te maken, die jongen liep met dat bordje te zwaaien, maar een meisje sprak ons aan. Of het gezelschap mee kon reizen naar bijvoorbeeld Maastricht of zo. Want ze waren namelijk op weg naar Luxemburg.
liftersHond Jaros lag thuis de boel te bewaken zodat de achterbank van de auto vrij was. Plaats hadden we nu voor drie gasten. En aangezien hun reisdoel, zoals het onze Luxemburg was konden en wilden we best drie personen meenemen. Er stond een kluitje hesjesdragers op een hoopje, maar er splitste zich al snel een delegatie af, die wilde wel met ons mee. 

Het bleek te gaan om een actie van leden van een Theatergezelschap, semi- en amateurs. Domicilie hielden ze in de Schone Stad Groningen. Een keer per jaar organiseerde de Club een liftsessie voor de leden van het gezelschap. Men kreeg kort van tevoren het reisdoel te horen en vervolgens begaf men zich in groepjes op pad. Enige competitie was ingebouwd in de race: men diende eenvoudigweg als eerste aan te komen. Maagdenburg in Duitsland was al eens reisdoel geweest, zo nog wat Europese steden. En dit jaar dus Luxemburg.

De reis verliep verder naar behoren. Men keuvelde er lustig op los en probeerde beleefd nu en dan wat meer hoogte van elkander te krijgen. En aangezien we het beneden onze waardigheid vonden om die gasten ergens vóór Stadt-Luxembourg langs de autobaan te droppen tikten we de eindbestemming van de liftrace in in onze Tomtom. De lifters werden verwacht in de grote Jeugdherberg in de oude benedenstad, pal onder het spoorviaduct.

We maakten echter nog een sanitaire stop aan Air-de-Capellen, net over de grens met Wallonië. Het was daar dat ik die uitstalling donuts zag in het wegrestaurant van de snelwegrustplaats. Ik had er nog nooit zoveel bij elkaar gezien, in zoveel kleuren, met zoveel smaakjes (ik kom dan ook niet zo vaak op de harde weg…). Kennelijk waren het begerenswaardige versnaperingen, ze vlogen als warme broodjes over de toonbank. Ook mijn gezelschap liet het zich smaken. Ik hield het bij koffie. Terwijl we daar zaten werden onze gasten aangesproken door een Nederlands echtpaar. Zij hadden die ochtend een ander groepje van het Theatergezelschap een stuk door Limburg vervoerd, en of we misschien nog iets van die gasten gehoord hadden (ze herkenden onze lifters aan hun hesjes…). Enfin…

We hadden echter nog 30 kilometer te gaan en intussen was er mij een en ander aan gelegen om die gasten als eerste bij de Jeugdherberg af te leveren, dus we braken weer snel op. lifters

Luxemburg is een rot-stad om te rijden, de Tomtom is evenwel een onverbiddelijke, maar vastberaden kameraad. Hij sleurde ons via de bovenstad helemaal het dal in en bracht ons tot aan de trappen van het Jeugdhotel. De verwachtingen waren intussen hoog gespannen, maar we werden uiteindelijk dus zesde. Nou ja…

Dat speelde op vrijdag en terwijl ik de slotzinnen tik van dit stukje is het maandag. Die theatergasten zitten intussen in de trein naar het verre noorden, en wij gaan zoetjes aan de dag afsluiten. Ellen zit te spartelen in een comfortabel ligbad en ik schenk me nog een glas Chablis in. Over Bourgondië vertel ik je de komende dagen wel, het nu mooi geweest.

© paul

Les Halles de Luxembourg (La Provincale)…

Les Halles...We namen voor Lilly en Mars (Luxemburgse vrienden) een paar kilo asperges mee.      ‘s Ochtends nog op het land in Zuidoost Brabant, ‘s avonds in een kookpot, ergens in het departement Gutland, Luxemburg. De beste asperges van Nederlandse bodem… Als tegenprestatie kookte Mars een prachtige felgroene groentesoep voor ons, want geld voor de asperges wilden we niet. Daarnaast had hij nog een verrassing in petto; hij nodigde ons uit hem te begeleiden bij een inkoopsessie in Les Halles de Luxembourg, genaamd La Provincale.

We hadden al wel gehoord over die legendarische Hallen, dat immense bevoorradingsstation voor de hele Luxemburgse horeca, maar geweest waren we er nog nooit. Het bedrijf ligt in de gemeente Leudelange, pal onder Luxembourg-Stadt. Het hallencomplex omvat een aantal grote fabrieksachtige ruimtes, waarvan er een bestemd is voor directe verkoop. De andere dienen als groente- en fruitveiling, uitbeenderij en vleesverwerking, verdeelcentrum en opslag. De capaciteit is enorm. Nou komen we in Nederland regelmatig bij de voedselgroothandel (Hanos, Sligro), en ook daar mogen we ons met tijden verbazen over wat er zoal wordt aangeboden.  Die Luxemburgse Groothandel slaat echter alles. Het assortiment gaat zowel in de breedte als in de diepte. De keuzemogelijkheden zijn nauwelijks te bevatten en de kwaliteit spat ervan af.

Laat me wat voorbeelden geven: de kreeften worden in een fors aantal soorten levend aangeboden ( Westerschelde, Zuideuropa, Canada, V.S., enz.) En per soort is de populatie dan weer in maat en gewicht gesorteerd en verdeeld over een goede dertig waterbakken. In andere aquaria zwemmen Tarbots, Heilbots en zo nog wat waterdieren.

Vlees wordt in alle onderdelen aangeboden per land; Luxenburg, Spanje, Portugal, Italië, Ierland, V.S., Oostenrijk en Duitsland. Voor elke nationale keuken is alles voor handen, inclusief het orgaanvlees. Hart, nieren, lever, hersens, zwezerik en milt. Ook Nederlands vlees wordt er overigens aangeboden, al beperkt dat zich tot kalfsvlees van de boerderij (en biologische soepkip).

Hoenders komen voornamelijk uit Frankrijk; Poule de Bresse tegen schappelijke prijzen, maar verder een keur aan Franse rassen, nagenoeg allemaal met het Label Rouge predicaat. Maar ook de Belgische Mechelse Koekoek vind je er, en biologische soepkippen uit Friesland.

Alle wereldkazen liggen er, maar ook minder bekende soorten. Ze komen uit de fabriek, maar vaker van kleine producenten of direct van de boerderij. Ze zijn allemaal in topconditie en worden met zorg in topconditie gehouden.

Twintig soorten aardappelen, vijftien soorten uien, knoflookrassen uit alle delen van Europa (en soms van daarbuiten). Van elke andere groente liggen er variaties in smaak, vorm en kleur. Opmerkelijk is het grote aandeel biologische producten, terwijl Luxemburg (net als Nederland) heden ten dage helemaal niet zo best scoort in de top twintig van bio-producerende landen. Veel van de aangeboden waar komt uit Luxemburg of de directe omgeving.

En dan vertelde ik je nog niet over die truffels. Er stonden bakken vol, de kiloprijs was slechts € 300,- .De kwaliteit zou in de Perigord hoge ogen gooien. De paddenstoelen lagen in een bewaakte ruimte, samen met mega-blikken Belugakaviaar en blokken ganzenlever, zoals ik ze nog nooit gezien had. (Of je daar nu vrolijk van moet worden laat ik even fijntjes in het midden…)

Enfin, ik kan zo nog wel een tijdje doorgaan, maar mijn punt is, geloof ik, wel duidelijk. Wij liepen een middag te struinen in een Culi-Eldorado van ongekend niveau. Vergeet ik je nog te vertellen dat Mars een gemakkelijke prater is en dat hij sinds de oertijd (toen hij nog restaurant voerde) al inkocht bij La Provincale. Hij kent er een hoop werkvolk via zijn snelle en handige babbel en zo praatte hij ons in plaatsen achter de schermen waar een andere sterveling met harde hand geweerd wordt. Heel bijzonder…

Een paar foto’s om mijn verhaal wat meer kleur te geven: Afdeling kreeft... Les Halles... Spaanse afdeling... Spaanse afdeling...De droogkasten van... Ook Poule de Bresse...Truffel per kilo... Biologische afdeling voor groenten...Afdeling aardappel en ui...

Maitre-Gebeess…

Mars z'n gebees...Sinds een paar jaar hebben we kennis aan Mars en Lilly. Mars dreef een restaurant in het dorpje Leudelange, tegenwoordig stadsdeel van Luxemburg-Stadt. Hij zwaaide er als chefkok de scepter over de keukenbrigade en de kookpotten, terwijl Lilly er de taak van gastvrouw vervulde. Beim Doktor was de naam van het restaurant.

Er werd daar op niveau gekookt. (Risotto met kreeftenstaartjes en een schuimige saus van Luxemburgse Crémant was er mijn favoriet.) Over de kwaliteit kunnen vrienden en kennissen die we meetroonden naar het restaurant nu nog in lyrische bijval terug dromen.

Maar op enig moment gingen Mars z’n knieën stuk en dat was einde verhaal. Want Mars wilde niet aan de zijlijn staan en collega’s aansturen, hij wilde zelf koken. En dat ging dus niet meer. De zaak werd van de hand gedaan…

Intussen gaat het gelukkig weer goed met Mars, zijn knieën zijn opgelapt in een Universiteitskliniek in Berlijn. Met enige beperking danst hij weer door de keuken, zijn eigen keuken thuis wel te verstaan. Mars kan namelijk niet stilzitten. Voor familie en vrienden kookt hij maaltijden, drie- of viergangenmenu’s, een stuk of vier per week. Alles biologisch! De afnemers betalen de kostprijs voor hun maaltijd.

Mars was, en is nog steeds, een ambitieuze kok. Hij heeft zich dan ook een verheven doel gesteld. In Frankrijk bestaat er zoiets als Maitre-Confiture. Een eretitel voor de beste jammakers van het land. Daar hoort een serieuze competitie bij, te vergelijken met die van Maitre-Choclatier, Maitre-Patisserie, Maitre-Tripes… Geen spelletje voor querilanten is dat, niet voor hobbyisten . Het is hard werken, innovatief zijn en tot het uiterste gaan, ook met iets ogenschijnlijk eenvoudigs als jam… Mars denkt dat het hem binnen nu en 10 jaar gaat lukken om die titel te veroveren. En wij denken dat ook… Gebees...

Vandaag stond Mars met zijn handel op de Bloemenmarkt van het middeleeuwse Franse dorpje Rodemack in het Departement Mouselle. De markt wordt elk jaar gehouden ter ere van het Eenmeifeest. We zochten hem daar op.

Een zwaar bewolkte lucht (met hier en daar een regenspat) en daaronder een breed lachende Mars. Een klein kraampje, maar een keur aan biologische waar. Gebeess heet de waar in goed Luxemburgs. En zo heet het ook in het Franse Rodenmack want men spreek daar een Luxemburgs dialect. Enfin, over de inhoud van de waar, die kostelijke confiture, kom ik nog te schrijven, want wat ik erover wil zeggen is veel te veel voor dit artikel. Op de markt werden overigens nog veel meer artisanale culinaria aangeboden: saffraan uit Lotharingen, whisky uit de Moezelstreek, bier van de plaatselijke brouwer en snoep, gemaakt uit puur fruit. Gegrilde worstjes ook en geroosterd biologisch koevlees, geurende zware broden en verlokkelijke taartjes. Enfin lezer, het komt allemaal, het komt…

(En ach, was ik even vergeten over Lilly te schrijven. Nou, Lilly is gelukkig met haar vrijheid na het zware horeca-leven. Ze bekommert zich om kinderen en kleinkinderen, om haar moeder, om de hond, om de katten en is thuis een fantastische Gastvrouw, ze straalt…)

© paul