Péckvillercher…

Péckvillchen...

Éimaischen heet het feest en het wordt gevierd op Tweede Paasdag op twee plaatsen in Luxemburg. Op de eerste plaats in Stadt-Luxembourg, en verder ook nog in het dorpje Nospelt. De Stadse Luxemburgers vinden hun feest het enige dat telt, maar je moet maar denken lezer, Stadse Luxemburgers doen niet onder voor Amsterdammers (of welk grootsteeds volk dan ook): is er ergens iets leuks, dan gaan ze het kopiëren en roepen vervolgens dat het altijd al van hullie was. De markten worden al bijna 200 jaar gehouden, altijd op Tweede Paasdag. Enfin…

Wij waren op de Éimaschenmarkt in Nospelt, volgens onze zegsman Mars misschien niet de meest spectaculaire, maar dan toch in ieder geval de van oorsprong origineelste. En ik kende het Luxemburgs fenomeen Éimaschen al langer, maar ik had er geen idee van waar het woord op sloeg of wat de betekenis was bij weten en werkelijkheid. Éimaschen heet bij ons Emmaüsgangers.

(De evangelist Lucas verhaalt in zijn versie van het evangelie over leerlingen van Christus die op weg zijn naar de paasviering in het dorpje Emmaüs. Onderweg komen ze de herrezen Christus tegen, maar ze herkennen hem niet. Het verhaal van die Emaüsgangers is in Luxemburg onlosmakelijk verbonden met Tweede Paasdag.)

De Éimaschenmarkt, die dus altijd op Tweede Paasdag wordt gehouden, is een gezelligheidsmarkt; het prestigieuze crémantmerk Poll Fabaire verkoopt er aan een luxe kraam haar schuimwijnen. De grote Luxemburgse bierbrouwers zijn er vertegenwoordigd met hun uitstekende bieren. (Zowel de bieren als de wijn worden gedronken uit échte glazen, plastic is dood in de pot.) Brusselse wafels met slagroom en vruchtencompote vind je op elke hoek. Er worden karbonades, grillworsten en metties geroosterd, geserveerd met frieten of brood. Er staat een grote feesttent op het centraal plein. Lange tafels en banken maken dat een goede zeshonderd gasten van een drie-gangenmaaltijd kunnen genieten en er is levende muziek…

Het bijzondere aspect van deze markt is de verkoop van de Péckvillercher, kleine stenen lokfluitjes in de vorm van een vogeltje. De Péckvillercher worden in Nospelt gemaakt, al honderden jaren. Nospelt is van oudsher een keramiekcentrum. Al ten tijde van de Romeinse bezetting, zo rond het begin van onze jaartelling, bestond er een bescheiden aardewerkindustrie. Nog vrij onlangs werd er een tegel- en dakpanoven opgegraven, daterend uit die tijd. Men maakte er in vroeger dagen ook steengoed van hoge kwaliteit en aantrekkelijk gebruiksgoed van aardewerk.

De keramisten van Nospelt ventten hun waar uit op markten in Luxemburg, in Duitsland, in België en tot ver in Noord-Frankrijk. Ze gebruikten de vogelfluitjes om klanten naar hun kraam te lokken. De kindertjes eerst, die waren nieuwsgierig en hebberig. En had je de kindertjes, dan volgden de papa’s en mama’s heus wel. En met de ouders aan de kraam was er een gerede kans dat je het grote werk kon slijten: kookpotten, zuurkoolvaten, waterkruiken, drinkbekers, enfin…

Tegenwoordig hobbyt men nog slechts een beetje in Nospelt. Maar de Péckvillercher zijn serieuze zaak. Ze worden in allerhande vormen en maten aangeboden. Speciaal voor deze markt (en ook voor de Éimaschenmarkt van Stadt-Luxembourg) produceert men een verzamelaarseditie van het lokfluitje, genummerd en gesigneerd. Men doet dat al járen, en halverwege de dag is men doorgaans uitverkocht.

Wij kochten echter een eenvoudig volks fluitje. Het is uiteindelijk mooier, charmanter en authentieker dan die collectors-items. Het bezit een mooie warme klank en het ziet er in al z’n eenvoud lollig uit.

Uiteindelijk was het fluitje natuurlijk bedoeld voor onze Jop. We hebben het hem echter niet mee naar huis gegeven. Hij vindt het fluiten zo leuk dat hij binnen de kortste keren zijn ouders horendol zou hebben gemaakt. Nu loopt hij te paraderen op het tuinpad van zijn grootouders en blaast de sterren van de hemel. Hij heeft intussen uitgevonden dat het gaatje in de rug van het vogelfluitje een extra toon genereert. Ach, laat hem maar even doen. Het gaat vanzelf weer over…

©paul

.

‘n Beetje over Gascogne…

after dinner...
Gascogne is een streek in Frankrijk. Waar men Gascogne precies situeert is afhankelijk van diegene aan wie men het vraagt. Doorheen de laatste 20 eeuwen werd er zoveel en zo vaak strijd gevoerd in die contreien dat niemand de exacte grenzen in zijn hoofd heeft. Bedenk maar lezer, Gascogne ligt in het Zuidwesten van Frankrijk. Er wonen Basken in Gascogne, maar er woont ook volk dat men in onze VOC-republiek aanduidde als Wasconiërs… Men spreekt er op sommige plaatsen nog de oeroude taal van het middeleeuwse Occitanië.

En tegenwoordig is het dus een gewone Franse streek die opgedeeld is in een aantal departementen: Gers, Landes, Gironde, Lot-et-Garonne, Tarn-et-Garonne, Haute-Garonne, Ariege, Hautes-Pyrenees en Pyrenees-Atlantique.

De streek levert ook heden ten dage een hoop culinair erfgoed op, maar het belangrijkste wapenfeit is toch wel de productie van Armagnac, het edele zusje van de Cognac uit noordelijker streken. Wij hier op het Ministerie prefereren dat stooksel uit Gascogne; chique, voornaam, wat aards van smaak. En er wordt minder geklooid met Armagnac dan met een gemiddelde Cognac, die door de jaren heen steeds vaker werd aangepast aan de doorsnee-smaak van de Wereldburger.

De belangrijkste mens uit Gascogne is en blijft voor mij d’Artagnan, de vierde van de Drie Musketiers. Als sinds mijn prille jeugd koester ik een liefde voor dat romanpersonage, stijlvol en rijk tot leven gebracht door Alexandre Dumas (père) en daarna talloze malen verfilmd. De filmuitvoering uit 1973 met Michael York in de rol van d’Artagnan heeft mijn voorkeur. Ongecompliceerd avontuur, vrolijk van toon, beetje flauw van humor en geweldig als kostuumdrama. En op geen enkele manier doet de verfilming afbreuk aan de kracht en het wezen van Dumas’ (en mijn) literaire held.

Die d’Artagnan heeft overigens écht bestaan en hij was ook écht Musketier in het Franse leger. Zijn naam en titel luidden: Charles de Batz de Castelmore, Graaf van Artagnan. Hij leidde een legeronderdeel tijdens het Beleg van Maastricht in 1673 en kwam daarbij om het leven ten gevolge van de inslag van een loden kogel die zich dwars door zijn strot drong. Zijn stoffelijk overschot werd gedumpt in een massagraf aan de rand van de stad, maar niemand weet precies waar zich dat bevindt. De botjes van mijn held liggen nu, op dit eigenste moment, een beetje te verbleken (of te verweken) op nog geen honderd kilometer van de plaats waar ik dit stukje zit te tikken. Curieus niet?..

Maar hoe kom ik hier nu in godsnaam terecht, bij die rare oorlog, bij Alexandre Dumas, bij d’Artagnan, bij Armagnac? Oh ja, ik wilde je iets vertellen over de culinaire hoogstandjes uit de Gascogne-streek

Enfin, ze hebben er middelmatige wijn, waar ze evenwel een geweldig destillaat van stoken: de Armagnac. Ze hebben ganzen en eenden die de beste foie gras opleveren (laat het ze niet horen in de Elzas…). Hun pluimvee steekt de beste kip van Frankrijk naar de kroon (laat het ze niet horen in Bougogne, in Bresse…), Hullie pruimen zijn meer dan excellent en ook nog eens uniek (en daar zal geen enkele fransoos over zeuren, want dat is gewoon zo…). En ze hebben een aantal streekgerechten die in heel Frankrijk gewaardeerd worden (ook daar zeurt niemand over, want het is gewoon zo…). En eén daarvan is de Salade Périgourdine, maar daarover morgen meer

Lees ook : De lange weg naar Santiago de Compostella, etappe 52…

© paul

Mistralou…

IMG-20180303-WA0005

Wie ‘s nachts werkt, dient ‘s nachts te eten (en overdag te slapen, maar dat is evident). En aangezien ik mijn arbeidzame uren doorbreng tussen 22.00 en 07.00 uur behoor ik tot die nocturalen die in het holst van de nacht de maaltijd tot zich nemen.

Mijn nachtelijke gerechten zijn doorgaans van eenvoudige aard, prefab of samengesteld uit restanten van de maaltijden thuis. Van koken in de nacht maak ik niet zo erg veel werk. Het is lastig, want je kunt er op elk moment vanaf moeten. Je dient dan onmiddellijk de keukenboel de keukenboel te laten en je te storten op de zorg waar je uiteindelijk voor bent ingehuurd. Gevolg kan zijn: verpieterde groenten, tot pulp gekookte pasta, dan wel tot de graad van verkoling verbrand vlees. (Ergens in het verleden zorgde de rookontwikkeling bij het laatst genoemde wapenfeit voor brandalarm. Met als gevolg dat er een aantal gewaarschuwde collega’s in vliegende haast mijn afdeling bestormden om mij te assisteren bij de vermeende vuurramp; blusdekens en schuimblussers van de muur rukkend, slangen uitrollend en naarstig zoekend naar het cliënteel om de evacuatie van mijn afdeling in gang te zetten. Intussen diende ik me telefonisch de oren van de kop te lullen om de Brandmeldcentrale in ‘sHertogenbosch ervan te overtuigen dat de Vrijwillige Brandweer van Boekel en ommelanden niet gealarmeerd diende te worden, want het betrof slechts rookontwikkeling middels verbrande karbonades. Het was 04.00 uur in de ochtend en de zorg schoot er even bij in. Dat wil je écht niet nog eens meemaken lezer, écht niet…)

Enfin, mijn wachtweken omvatten zeven nachten aaneengesloten werken en ergens in die weken ruim ik een of twee keer tijd in om een collega te eten te vragen. Dat is dan doorgaans de Hoofdwacht (nachtelijk hoofd van dienst), want die is flexibel en ambulant en sjouwt door de nachten heen toch alle afdelingen langs. We stemmen onze lunchtijd af op elkaar en ik doe mijn best om iets aardigs (bijzonders, smakelijks, vul maar in) op tafel te toveren.

Tijdens ons laatste verblijf in Luxemburg schafte ik me (zoals meestal) een aantal kaasjes aan. Ik betrek die daar ter plekke altijd van dezelfde meester-affineur, Hervé Mons, dewelke zijn waar onder anderen slijt via de mega-supermarkt Cactus in het Belle Etoile-complex onder de rook van Stadt-Luxembourg. De kwaliteit van zijn kazen is altijd hors-categorie. Dat wil zeggen: met de grootste zorg ingekocht bij de kleinste producenten (fermier), opgeslagen en nagerijpt onder ideale omstandigheden, en aangeboden aan de consument in permanente topkwaliteit. Bij het overweldigend aanbod aan kazen in de Belle Etoile staat altijd vermeld welke afkomstig zijn uit de kelders van Mons.

Enfin, ik had die kazen dus op voorraad en stelde vandeweek met een aantal ervan een maaltijd samen. Een sappig peertje erbij, een zachte chutney uit eigen keuken, en natuurlijk het beste brood. Het zag er prachtig uit en meer hoefde het niet te zijn.

Ik had een kaasje uit de Auvergne, Gaperon genaamd. Halfhard , gerijpt en stevig van smaak door toevoeging van zwarte peper en gedroogde knoflook. Ook een eenvoudig specimen uit de Rhônes-Alpes, luisterend naar de naam Saint-Felicien, de enige semi-industriële kaas in het gezelschap. Dan was er nog een echt paterskaasje van het type Lingot. Dat kaasje werd gemaakt door de paters van de abdij van Saint-Nicolas de Dalmerie. Ongepasteuriseerde schapenmelk (lait-cru) met een natuurlijke schimmelkorst. Pittig van smaak, diep en rijk.

Speciaal wil ik je vertellen over het kaasje uit het noorden van de Côtes d’Azur, tegen de voet van de Alpen; het heet Mistralou. Op de kopfoto zie je er een stapeltje van prominent liggen te soezen in de vitrine van de affineur. Ze wachten geduldig op de koper.

De kaasjes zijn gemaakt van ongepasteuriseerde geitenmelk. Hoe lang ze rijpen en hoe ze precies worden geproduceerd kon ik niet achterhalen, maar wat je overhoudt is een zachte, lopende kaas, prominent van smaak en onmiskenbaar geit. Maar mild!

Het blad waarmee de kaasjes zijn omwikkeld is afkomstig van de tamme kastanje. Het geeft de kaasjes een tikje tannine mee en iets in de smaak wat je aards kunt noemen. De bladsmaak is tot de kern van het kaasje doorgedrongen. Tel daarbij nog eens de schimmelkorst bij op (en snuif de geur) en je waant je in een herfstbos. Enfin, zo’n kaasje, zo’n kaasje…

Dit type kaas wordt nog steeds geproduceerd in de regio, maar Mistralou blijkt afkomstig van één boerderij. Het is dus een zeldzaamheid en moeilijk te vinden. Maar ik kwam het specimen ook tegen op internet, bij Nederlandse affineurs, te bestellen via het world-wide-web. Je kunt het dus vinden. En ben je net zo’n kaasliefhebber als ik, doe dan je best! Het kaasje verdient het…

© paul

Soep, soep, broodjes, pasteitjes en bier! Veel bier…

_DSF3677

Ach lieve lezers, wij laten jullie in de steek. Wij schrijven te weinig… er komen geen nieuwe verhalen en recepten… Dat heeft allerlei redenen, teveel om hier op te noemen. Maar toch voor alle trouwe  lezers : het gaat goed met ons! Wij kijken terug op een prachtige Carnaval. En Carnaval hier in ons Brabantse dorpje is niet niks. Wij zijn moe, uitgeput, vertonen alle verschijnselen van ouderdom die bij onze leeftijd past, maar we hebben genoten ! Van de muziek, van elkaar, de vriendschap. Samen met vrienden en familie was het weer een prachtig feest! Het Heintje Davidscollectief speelde de sterren van de hemel in onze huiskamer. Nu zou ik iets culinairs moeten schrijven maar ik weet eigenlijk niet meer hoeveel pannen soep ik gemaakt heb en wat er allemaal precies in die soep zat… De recepten komen nog, nu alleen een hartelijke dank voor alle lieve mensen die dit jaar ook weer met ons samen het Gemertse carnaval tot een geweldig feest maakten.

Maikels specerijen uit India…

Kruiderij uit India...

Maikel was even in India. Nou ja, even?! Enkele maanden zwierf hij door dat subcontinent, van noord naar zuid, van west naar oost, kriskras, met slechts een rugzak als bagage. Hij maakte daarbij gebruik van het uitstekend spoorwegnet, de ontelbare b&b’s en de nog talrijkere hotelletjes.

De foto’s die hij tijdens zijn reis publiceerde op Facebook spraken boekdelen. Spannende avonturen, verbazingwekkende ontdekkingen, vervreemdende belevenissen, een nauwelijks te bevatten cultuurshock. Ik moet Maikels verslag nog uit eerste hand horen.

Naast persoonlijke aandenkens en een hoofd vol herinneringen bracht Maikel cultuurgoed mee terug in de vorm van specerijen. Via zijn moeder belandde dan weer een deel van dat culinaire goud op het Ministerie.

Specerijen zoals ze door heel India gekend zijn; pepers, currykruiden, hete paprika’s en een kruidenmengsel van koninklijken bloede, genaamd biryani.  De kwalificaties, zoals beschreven door een lokale kruidenverkoper of specerijenboer belopen van hot-hot naar no-hot. En daartussen niks… In mijn overmoed nam ik een lik van het no-hot paprikapoeder en mijn mondholte begon te branden als de houtoven. De rest van de specerijen, gemerkt met hot-hot, heb ik dan ook maar heel voorzichtig geproefd. En ja hoor, ze zijn allemaal scherp en heet als de hel. Maar geuren doen ze allemaal goddelijk…

Ik weet weinig van de Indiase keuken, en wat ik er al van ken is via een omweg tot me gekomen, namelijk via Engelse koks en kookschrijvers. Maar de specerijen zijn uiteraard ook prima inzetbaar bij onze meer gangbare kookgewoonten. Dat spul gaat gebruikt worden, volop…

Echt benieuwd ben ik evenwel naar dat specerijenmengsel biryani. Je moet daarbij denken aan het principe van een mengsel, gemaakt zoals raz-el-hanout uit de Noord-Afrikaanse keuken: een mengsel van het beste wat de kruidenboer in zijn winkeltje heeft. Grof gezegd bestaat biryani uit kurkuma, komijnzaad, zwarte peper, paprika, korianderzaad, kaneel, piment, citroenzuur, knoflook en garam masala (wat op zich al een specerijenmengsel is). Je gebruikt het om vleesgerechten te kruiden, die dan weer door een pan rijst worden gemengd en zo een geweldig geurende (en smakelijke) eenpansschotel opleveren. Ik ga het binnenkort uitproberen…

Enfin, voorlopig hebben we op onze kruidenplanken netjes plaats ingeruimd voor de nieuwe aanwinsten. De gulle gever zij alle dank!

© paul

Twaalfeneenhalf jaar…

 

Chablis 1er Cru, 2015...

‘t Is dat Marleen ons via de digitale weg liet weten dat het Ministerie van Eten en Drinken twaalfeneenhalfjaar bestaat. Vandaag, op deze eigenste dag, de vijfde februari anno domini 2018…

Zonder haar opmerkzaamheid (middels een kattebelletje, geheugensteuntje, digitale post-it, kladblaadje) zou dat heuglijk feit volkomen aan ons voorbij zijn gegaan. Schande toch…

Marleen stond vanmiddag op de stoep met een gepast cadeautje voor het Jubilerend Instituut, maar we waren er even niet… Ze toog onverrichterzake weer huiswaarts… (Enfin, we maken het morgen wel goed.)

Evengoed is deze mijlpaal mogelijk een goed ogenblik om weer eens aan het schrijven te geraken. Want daarmee is het naatje-pet de laatste tijd, dat had je al wel gemerkt lezer.

Weinig lust, weinig inspiratie en weinig tijd. Het zijn uiteindelijk dooddoeners, maar het zij zo, het komt er gewoonweg niet van…

Enfin, we richtten dan toch maar een klein feestje in voor onszelf. En onder het genot van zeebanket en een uitstekende Chablis beloofden we elkaar dat we er weer vol tegenaan gaan. (Herinner ons er even aan lezer, wanneer we onze belofte niet nakomen…)

Ellen-Paul.

Hoe zat het met het Kerstmenu?..

Het menu...

Hoe zat het nou met dat Kerstmenu? Verschillende lezers vroegen er bij herhaling om en ik voel me verplicht te antwoorden. Maar ook omwille van de archief-functie van deze website dien ik het menu te beschrijven; we gingen in het verleden wat al te lichtzinnig om met het archiveren van die Feestmaaltijden en vaak waren er ook geen geschikte foto’s. Slechts met kunst en vliegwerk, oude menukaarten en het herinneringsvermogen van de vrienden en vriendinnen valt een en ander van vroeger jaren te reconstrueren, en soms lukt het in het geheel niet! Vandaar…

De lettertjes op de foto zijn nauwelijks te lezen. Met wat internetgestunt zou je de foto op kunnen blazen zodat de tekst duidelijker wordt, maar dat gedoe wil ik je niet aandoen lezer. Ik tik het menu wel uit…

 

Gravlax met mierikswortelsaus.

Heldere bouillon met verse tuinkruiden.

Gekonfijte eendenbout met rode portsaus.

Aardappelpuree, Rode kool met cassis, Spruitjes met amandelen, Kerstpeertjes.

Drie rauwmelkse kazen en Muskaatdruiven.

Chocolademouse.

Kop espresso en diverse spiritualiën.

De basis van het Gravlax-recept was biologische zalm, gekweekt ergens in de Atlantische oceaan. We kochten hem bij onze vaste vishandelaar op Helmond markt. Het oorspronkelijk recept kwam van de Engelse BBC-kok Rick Stein en Ellen paste een en ander aan aan haar eigen smaak en goesting. De rauwe zalm mocht achtenveertig uur marineren en was na die tijd zacht, gaar en heel smakelijk. De saus van vers geraspte mierikswortel, kruiderij en room mocht geruime tijd rijpen zodat de smaken zich konden zetten.

De bouillon werd getrokken van biologische leghennen uit Friesland. Geweldige kippen zijn dat. Als leverancier van snel-snel-filetjes zijn ze niet geschikt. Maar voor soep en stoof zijn de dames subliem. De verse kruiderij bestond voor een belangrijk deel uit kervel.

Je zou je eendenpootjes zelf kunnen konfijten, we hebben het wel eens gedaan. Dat garen van die pootjes in eenden- of ganzenvet is echter nogal wat werk en het vergt tijd. Maar er wordt prima kant-en-klaar gekonfijt vlees aangeboden in de levensmiddelenhandel wisten we uit ervaring. We besloten tot de gemakkelijke optie en kochten ons vlees gegaard en gebruiksklaar in. Ze kwamen uit de Sud-Ouest, die pootjes, het zuidwesten van Frankrijk.

Een klassieke zondagse aardappelpuree werd erbij geserveerd (aardappel, boter, room, ei, nootmuskaat).  Verder kwamen er nog spruiten op tafel; eenvoudig gekookt, bedropen met boter en bestrooid met geroosterde amandelen. Simpel maar effectief.

De rode kool was geschonken goed. Onze groenteboer op Helmond markt vond dat we al genoeg aan groenten hadden ingekocht en buiten dat was hij toe aan zijn rol als Kerstman. Hij had voor elke vaste klant wel een kadotje, ons schonk hij twee koolkoppen van elk vier kilo. Bij het afscheid riep hij nog vaderlijk na: Pas bij het raspen op voor uw vingers, vrouwke… Enfin, schoongemaakt leverden die twee giganten een teil van zes kilo rode kool. Veel te veel natuurlijk, maar geen nood. De restanten werden verpakt in handzame plastic bakjes en eenieder die wilde kon een portie mee naar huis nemen. Het overschot vond gretig aftrek. Ellen zal de kool nog beschrijven, dat was-ie dubbel en dwars waard.

De peertjes vormen een apart hoofdstuk, Ellen zal ze nog beschrijven. Wilde Giezerman, zo heten die stoofpeertjes De taak die Ellen zichzelf stelde was dat ze als geen ander de eend konden begeleiden en tegelijk herinneringen op zouden roepen aan een klassieke (lees Engelse) kerst. Gestoofd in een vloeistof van port, rode wijn en crème de cassis met smaakmakers als vanille, steranijs, kaneel en suiker. Het resultaat was ernaar…

De rauwmelkse kazen kwamen van de betere affineur. Er was Brie-de-Meaux uit L’Îles de France, een gerijpte bergkaas uit de Franche-Comté en een pittige blauwschimmelkaas uit hartje Frankrijk. Allemaal AOC-kazen, allemaal ongepasteuriseerd, stevig, vol en uitgesproken van smaak. Simpele schijfjes stokbrood erbij. Geen opdringerige crackers, vijgenbroden of andere knutsels. Het ging om de kaas… Muskaatdruiven, die mochten erbij, en voor de liefhebber een walnoot. Op het laatste moment werd er nog een brok getruffeerde Brillat Savarain aan de plank(en) toegevoegd. Zo’n heerlijk zacht en wollig kaasje, geurend naar een bospad in de late natte herfst. Enfin…

De chocolademousse was klassiek. Ellen had best een andere toespijs gewild, maar de goegemeente is zo verslingerd aan dit toetje dat ze zwichtte voor de talloze smeekbeden. Chocolademousse moest het worden.

Naast de espresso (van bonen van Cook & Boon) serveerden we ook potten thee. Daarbij: Cognac, Armagnac, Port, Cointreau.

De maaltijd werd besproeid met… Het is een gekende uitdrukking, maar toch ook een rare. Want je denkt toch niet dat we met z’n allen een beetje gingen zitten sproeien met onze nobele wijnen? Nee hoor, we dronken met eerbied (en later op de avond een pietsje gulzig). Witte wijn uit Bourgondië, een Hautes-Côtes de Beaune van het wijnhuis Bouchard Aîné & Fils, jaargang 2015. En voor bij de eend een rode wijn, min of meer uit de buurt van herkomst: een stevige Corbières uit 2014, Les Hautes Castelmaure.

Voor de liefhebbers lagen er Speciaalbieren koud en voor een enkeling een pijpje Bavaria. En dat was het dan wel…

Terwijl wij met z’n allen genoten van de maaltijd waren we life getuige van de bereiding van een Linzenschotel, in Manchester, daar in het noorden van het Verdorven Albion. Maar daarover later…

© paul

Gelukkig Nieuwjaar…

Van Marleen...
Het jaar is alweer twee dagen oud, wat gaat de tijd snel…

Terugblikken op het voorbije jaar zou een goede gewoonte zijn, maar we gaan dat nu niet doen. En de toekomst voorspellen is dan wel een aardig tijdverdrijf, uiteindelijk levert ook dat niet veel op.

Maar zoveel is zeker: Ik maak aanspraak op mijn pensioen, is het niet in augustus, dan toch zeker vanaf september van dit jaar. En ook Ellen denkt er sterk over om haar pabo-lier aan de wilgen te hangen. Het is mooi geweest…

En zoveel is zeker: we zullen Bourgondië bezoeken, is het niet in het voorjaar, dan toch zeker in het najaar. Maar liefst allebei.

En zoveel is zeker: we blijven deze website vullen met verhaaltjes, recepten, gedachten.

En zoveel is zeker: wij wensen jullie allemaal een goed en voorspoedig 2018 toe.

Gelukkig Nieuwjaar.

Ellen Paul

 

 

Kerstmaal 2017…

Afwas...
Om nou te spreken van een writer’s block doet een beetje pretentieus aan, maar op de een of andere manier kwam het er gewoonweg (en voor lange tijd) niet van om hier te publiceren. Enfin, laat ik een poging doen om de artikelenstroom weer wat op gang te brengen…

Het Kerstdiner is klaar! Dat wil zeggen, in concept is het klaar. De recepten zijn uitgeschreven, de hoeveelheden ingrediënten berekend en de tijdplanning voor de bereidingen klopt.

Vandeweek  schaften we de eerste (langer houdbare) zaken aan en deze ochtend scharrelden Jeanne en Ellen de bulk van de ingrediënten voor de diverse gerechten bij elkaar. Straks slaan we de versspullen in op de Zaterdagmarkt in Helmond en daarna kan de eerste kooksessie beginnen.

Zoals ieder jaar ontvangen we een hoop gasten; met z’n achttienen zijn we dit maal. En om iedereen een fatsoenlijk plaatsje aan tafel te verschaffen dient de woonkamer te worden verbouwd. Ellen en ik hebben daar evenwel nauwelijks omkijken naar.

Zoals elk jaar werkt Marleen schema’s uit waarin aangegeven wordt wat van wie verwacht wordt: wie poetst het zilver, wie verplaatst de kerstboom, wie ruimt de woonkamer uit en wie ruimt de woonkamer in. Wie haalt tafels op en wie de stoelen, wie stofzuigt er en wie slingert een dweil over de vloer. En dan in een later stadium: wie wast er af, wie ruimt er op, wie verhuist de spullen weer terug naar de plaats van herkomst en wie richt onze woonkamer weer terug in, zodat het Tweede Kerstdag lijkt alsof er niets gebeurde in de afgelopen dagen. Het werkt prima, zo’n schema. Nagenoeg alle gasten zijn op een of andere manier betrokken bij de werkzaamheden, maar omdat de verdeling gespreid is kost het eenieder slechts een beetje van zijn of haar tijd. En Ellen en ik hebben alle ruimte en tijd om ons om het eten te bekommeren.

De bereiding van de maaltijd houden we traditiegetrouw bij onszelf. Dat werkt veel beter dan allerhand volk een taakje geven. Je moet dan namelijk ook eenieder voortdurend aansturen, en uiteindelijk doe je toch alles zelf. Wel rekenen we (ook dat is traditie) op Julia. Zij is onze steun en toeverlaat achter de kookpotten, en dat al járen…

Hoe het Kerstdiner is samengesteld blijft nog even geheim. Ik zou het je best willen vertellen, maar onze gasten lezen de artikelen op dit weblog ook, en dan zou de verrassing er dus af zijn. Het komt nog wel lezer, het komt nog wel.

Voor nu een gepaste groet vanaf het Ministerie en veel succes toegewenst met de bereiding van je Kerstdiner.

© paul

In afwachting van: Rata rapide…

Rata rapide (pommes au lard)...

Het boek heet À LA SOUPE! Le repas du poilu. Het bevat een verhandeling over eten en koken in en om de Franse loopgraven van de Eerste Wereldoorlog. Ik ben al dagen bezig aan een artikeltje over de publicatie, maar ik kan er geen fatsoenlijk einde aan breien. En dat is jammer, want ik had je het artikel willen presenteren op de dag dat het precies 99 jaar geleden was dat de Grande Guerre, die verwoestende Eerste Wereldoorlog, beëindigd werd, op 11 november 1918. Je mag nu dus nog een dag of wat op wachten op mijn schrijfsel.

Wel heb ik al gekookt uit het boek, er staan namelijk ook recepten in. Het rata rapide mag vrij vertaald worden met ratjetoe-snel-klaar. Het is een eenvoudig gerecht van aardappelen, spek en uien, en het levert een voor die tijd volledige maaltijd op. In 1914 ging men ervan uit dat een maaltijd compleet was wanneer die de componenten eiwit, koolhydraten en vetstof bevatte. Ik beschrijf het recept voor vier personen, zelf maakte ik een kleinere hoeveelheid klaar.

  • 2 kilo vastkokende aardappelen,
  • 100 gram gerookt spek,
  • 1 grote ui,
  • water,
  • peper en zout.

Schil de aardappelen, snijd ze in schijven en kook ze min of meer gaar. Snijd het spek in kleine dobbelsteentjes. Hak de ui in dunne ringen. Laat vervolgens het spek in een stoofpan uitsmelten en doe er dan de uien bij. Laat de ui op een middelhoog vuur glazig worden. Vervolgens worden de aardappelen toegevoegd en voorzichtig, maar grondig omgeschept. Daarna gaat er zoveel water bij dat het geheel nét onderstaat. Breng op smaak met wat peper en eventueel zout. De zaak mag stoven op een niet te laag vuur, zodat een deel van de vloeistof kan verdampen. Na een minuut of vijftien is je potje klaar, de ingrediënten drijven in een mooie dikke sausachtige bouillon. Dien heet op…modelbouwtentoonstelling Ethe (Gaume)

  • Opmerkingen:
  • Twee kilo aardappelen is niet niks, je kunt gewoon wat minder nemen.
  • Ons spek is over het algemeen minder vet dan dat van 100 jaar geleden, ik moest wat extra boter toevoegen om de uien mee te kunnen bakken. Let overigens op met extra zout, je spek is al gezouten. En heb je de aardappelen gekookt in gezouten water dan hoef je in het geheel geen zout meer te gebruiken.
  • Houd de vloeistof in de gaten.
  • Het gerecht is gemaakt naar basisrecept. In alle keukens van de Eerste Wereldoorlog ging men ervan uit dat soldaten hun maaltje zelf wel opleukten. Dat heb ik ook gedaan.
  • Stel je voor: die ene verdwaalde Waalse soldaat die je Franse regiment was komen versterken bracht van thuis een zak Plate de Florenville mee. Nou, dan konden ze op het hoofdkwartier toch mooi hun varkensaardappelen zelf houden. En dat ranzige spek trouwens ook, want Jean uit de Gers had van zijn schoonvader een zij van het prachtigste spek meegekregen. Ongeblutste uien waren er wel te krijgen bij een vrouwtje dat met groente ventte, achter de linie. Misschien verkocht ze zelfs wel sjalotjes. Het zout kwam gewoon van de regimentsveldkeuken, maar de peper was van Pierre. Hij had wel een kwartpond op voorraad. Jammer alleen dat Jérôme uit Bourgondië op verlof was, naar de verse peterselie kon je dit maal wel fluiten.
  • Poilu uit de titel van het boek is de algemene benaming van de Franse infanteriesoldaat. Het betekent letterlijk: de Behaarde

© paul

Voor dit stukje maakte ik gebruik van mijn artikel van 20 maart 2015.