Het Feest der Feesten (zonder ons)…

Gefrituurde inktvis (voortreffelijk)...

Door omstandigheden konden wij dit jaar niet deelnemen aan het Carnavalsfeest. En zo verging het ook een aantal andere leden van de Zwarte Kabouter Bende. Enfin, een beetje treurig was dat wel, maar er komt een herkansing volgend jaar en we zullen daar beslist gebruik van maken.

Gelukkig kweten de ouders van Jop zich uitstekend van hun taak om die jonge gast in te wijden in de rituelen van het Feest. Ik maakte me er al zorgen over, maar getuige de berichten en foto’s die we per digitale snelweg ontvingen begint Jop het al aardig te snappen…

Écht carnaval!!!

Een geluidsdemper op je kop tegen het oorverdovend lawaai van de dweilorkesten, een zak chips om uit te sneukelen en een snoepzak op de achterhand, mierzoete ranja tegen de dorst, een hoop verzamelde slingers en confetti om je mee te tooien en verder domicilie houden onder de statafel van de grote mensen. Al met al héél verderfelijk, maar dat is hoe een gast van vier jaar zijn Carnaval invult. Jop snapt het helemaal…

Wij verbleven intussen in Luxemburg. Het regende er aldoor en het stormde zo nu en dan. In onze omgeving waaiden een aantal bomen om, sommige straten waren onbegaanbaar en wandelen in de bossen was op de meeste plaatsen verboden. Maar verder ging het wel goed. 

We lazen Konstantin Paustovski en Wolfgang Herrndorf, we lazen Nele Neumann en Javier Marías. Uit de speakers tingelde voornamelijk Corelli en internet was weer eens in geen velden of wegen te bekennen, dus kochten we elke dag het Tageblatt. Enfin: never a dull moment, zoveel mag duidelijk wezen.

Goed van eten en drinken hadden we het ook. We sloegen wat mooie wijnen in en exquise lamskoteletjes. Hele fijne sla en uitstekende kazen. We trokken zondagse bouillon, grilden kippetjes en aten gebak van Namur. Buiten de deur aten we voornamelijk vis. 

Ik was alweer vergeten hoe lekker gefrituurde inktvis kan zijn. Niks pre-fab papje om een rijwielband. Nee hoor, een fijn gekruid beslag waarin de verse pijlinktvisjes zijn gedoopt. En dan gefrituurd, precies tot aan het gaarpunt; zacht omhulsel en stevig maar sappig visvlees. Zo subtiel, zo smakelijk en zo met zorg bereid. We aten ze bij Pulcinella in Mamer. (Zie kopfoto.)

Aan de Moezel aten we gefrituurde baby-voorntjes en snoekbaars in een saus van Crémant de Luxembourg en room.  Uitstekende kost hoor, daar niet van. Maar echt speciaal was toch de Aswoensdagvis. Misschien niet als absoluut culinair hoogstandje, maar toch… Daarover echter  later.

©paul

Please follow and like us:

Kabeljauw met bruine boter en kappertjes

IMG_8609

Joël, één van onze vrienden in het Luxemburgse dorpje waar ons huisje staat, is een echte visser. Hij vist in de buurt van het dorp in vijvers en snelstromende riviertjes op forel en brengt vele uren aan de waterkant door. Zo’n vispartijtje wordt altijd afgesloten met een hapje en vooral veel drankjes met zijn vissersmaten. Wij mogen, als we toevallig in het dorp zijn, altijd delen in de vangst. Prachtige zalmforellen weet Joël te vangen, heerliijk om te grillen of te pocheren. Voor Joël en zijn vrouw Nicole  geen toestanden in Benidorm, Blankenberge of Kreta; zij geven niets om vakanties. Nicole is het liefste gewoon thuis in haar eigen dorpje en Joël vindt dat best. Maar een paar keer per jaar gaat hij even verderop vissen. Niet in kleine Luxemburgse riviertjes maar in open water, in de zee… “Ha, das Mer, Hellen, das ist so schön, da vergess’ ich all meine Sorgen” .

Joël en een paar vrienden huren dan een kleine vissersboot met kapitein en gaan écht vissen ergens in de open wateren voor Denemarken. Ze vissen op Noordse kabeljauw. Dat vissen gaat een paar dagen zeer gedisciplineerd, de vangst wordt schoongemaakt, geproportioneerd, verpakt en ingevroren. Dan breekt het grote feest los en drinken de vissers tot ze geen vis of drank  meer kunnen zien…

Ik heb Joël meerdere malen thuis zien komen na zo’n festijn: total loss, dodelijk vermoeid, maar ook helemaal voldaan met zijn vangst. Hij drinkt dan nog een glaasje, samen met zijn Nicole en gaat dan zijn roes uitslapen… Nicole schikt dan de pakjes kabeljauw in de diepvries, voor later, voor hun eigen gezin, voor de familie, voor vrienden…

En zo kregen wij dit najaar geen forel maar echte kabeljauw. Vier mooie dikke filets van de staart, mét vel, ontgraat. Supervers. 

  • Twee mooie gefileerde stukken kabeljauw met vel
  • een flinke klont boter
  • peper en zout
  • twee eetlepels kappertjes
  • 2 ansjovisjes, fijngeplet
  • sap van een halve citroen

Wrijf de kabeljauwfilets in met peper en grof zout. Smelt de helft van de boter in een passende pan en bak de filets op de velkant ongeveer 4 minuten aan. Draai filets dan voorzichtig om en bak nog 1 minuut. Houd de filets warm en laat de rest van de boter even bruinen. Voeg ansjovisfilets en kappertjes toe en laat alles even doorwarmen. Breng verder op smaak met peper en eventueel zout. Giet de bruine botersaus over de vis. 

Wij aten er een stamppotje bij van aardappelen en rucola.

Kopje espresso toe.

© ellen. 

Please follow and like us:

2019…

Joseph Beuys (1921-1986)...

De schetsjes zijn heel snel gemaakt. Je herkent een platvis (schol?), en dan nog een platvis van wat onduidelijker statuur. Het beest onderaan is onmiskenbaar een snoekbaars. Verder staan er nog wat probeersels op het kalenderblaadje, dat kennelijk uit een zakagenda is gescheurd. De tekeningetjes zijn gemaakt met vulpen, in blauwe inkt.

De schetsjes doen fris en fruitig aan, het lijkt alsof Josef Beuys ze gisterenavond heeft neergekrabbeld. Maar kijk je naar de datum dan zie je dat de krabbels op een kalenderblaadje werden gekriebeld van 63 oud. En nader onderzoek toont aan dat dát ook de tijd en datum waren dat Beuys ze tekende.  Ellen was toen verdorie nog niet eens anderhalf jaar oud, ik was netaan drie.

Een rare gewaarwording is het toch om een vermeende actualiteit te zien, een nouveauté, om je dan op een ander nivo te realiseren dat je naar iets ouds zit te kijken. Tijd is een raar fenomeen, tijd is uiteindelijk een rommeltje, altijd bereid om je op het verkeerde been te zetten…

Neem onze Jop. Gisteren was die gast nog baby, in 2019 gaat hij alweer voor het eerst naar school…

Of neem de curryworst: je beschouwt hem als een lekkernij uit het begin van dit millennium, maar wat blijkt: op 4 september 2019 viert de snack alweer z’n zeventigste verjaardag…

Nou ja, zo kun je nog een hele waslijst bedenken van voorbeelden van hoe de tijd jou manipuleert. En ook van hoe jij probeert de tijd te manipuleren. Het is en blijft een vreemd fenomeen, het blijft uiteindelijk een rommeltje…

2018 was een goed jaar voor ons, zoveel is zeker, het ging alleen zo snel voorbij. We willen de hoogtepunten niet allemaal opnieuw opsommen, die staan als een huis en je kunt ze met wat gescroll terugvinden op deze website.

En 2019? Ach lezer, wij kunnen niet in de toekomst kijken. We kunnen er alleen maar het beste van hopen. We doen dat met een voorchristelijke bezwering:

Gelukkig nieuwjaar lezer…

Ellen-Paul…

© Afbeelding: Joseph Beuys (1921-1986), Stiftung Museum Schloss Moyland,
Sammlung van der Grinten.

Please follow and like us:

Hoe het verder ging…

Kerstkado's...

Met Ellen gaat het beter. Ze heeft geleerd hoe ze haar gebroken ribben een beetje kan ontzien en ze scharrelt intussen alweer wat makkelijker door het huis. De nachtrust houdt niet over…

Al met al kwamen we de Kerstdagen redelijk door. Ik maakte een stoofpot van wildzwijn en ik grilde een kip. We aten oesters, lekkere kazen, gemarineerde zalm en een stukje ganzenlever. We lazen een boek, we keken een film… 

Verder was er aanloop genoeg; vrienden en familie toonden hun oprechte belangstelling voor de zieke, waarvoor onze dank. Ook de hartverwarmende beterschapswensen op deze website en op Facebook worden zeer gewaardeerd.

De avond van Eerste Kerstdag brachten we door op de Witte Brug, te gast bij Marleen en Vincent. Iedereen was er, iedereen had plezier. Het leek dan toch nog een beetje op ons Kerstmaal. Er was stemming en er was drank, er was muziek en men had goeie buurt. Er waren cadeautjes. Enfin, ons Kerstmaal ging niet door, maar de avond maakte een hele hoop goed…

Voor de Kerstborrel bij Vincent en Marleen bereidde ik een aantal hapjes, zo ook deed Neel.  Er waren gekruide gehaktballetjes en worstjes in een deegkorstje, gemarineerde paddenstoeltjes en gevulde champignons uit de oven. Een mousse van rode bietjes en ook met kaas gevulde dadels. Groentehapjes met een deegomhulsel en ook  kruidenboter met veel peterselie. Er was goed brood en hapklare toast, er waren gevulde eieren.  Enfin, er was nog meer, maar dat schiet me even niet te binnen…

Kortom, niemand kwam iets tekort, zoveel was wel duidelijk. Al het lekkers ging dan ook met gemak op, het overschot was minimaal. Behalve dan de kaas. Zowel Neel als ik serveerden een aantal kazen. En hoewel er stevig van werd gesnoept bleef er toch nogal wat van over, het was gewoon teveel.

Ik heb die kazen intussen verwerkt op traditionele Franse wijze: ik maakte Fromage Fort. Hoe en waarom vertel ik je morgen. Voor nu is het tijd de burelen van dit Ministerie te sluiten. En terwijl Hond Jaros zich luidkeels ergert aan illegaal afgestookt vuurwerk in de omgeving kijken Ellen en ik een film vanuit onze sponde. We zullen het eind niet bewust beleven.

Goedenacht lezer…

© paul

Please follow and like us:

Fijne Kerstdagen…

kerst

Normaal gesproken maken we op deze website wat meer werk van de aanloop naar de Kerst. De omstandigheden dit jaar schreven echter enige matigheid voor…

We zouden ook deze Kerst weer de Grote Maaltijd verzorgen voor een goede 22 gasten. Ellen hield zich er al weken mee bezig: het menu was uitgeschreven, de logistiek leek op orde, de taken waren verdeeld. Het vlees stond in bestelling, zo ook de vis. De drank rustte in ons keldertje en voor het versgoed was het nog tijd genoeg.

Het noodlot sloeg echter toe, en wel op vrijdagavond. Ellen liet laat in de avond Hond Jaros nog even uit (ze liep wat te suffen, zegt ze zelf). Hond Jaros schrok van een andere hond, eentje waar hij altijd ruzie mee heeft. Hij gaf daarbij een onverwachte ruk aan de riem en slingerde Ellen tegen een (lullig) paaltje. Ze kwam verkeerd terecht en brak twee ribben (die losse, die zwevende). En daarmee veranderde een en ander fundamenteel.

Later in het ziekenhuis werden de breuken nog eens officieel herkend en erkend, en dat was het dan. Revalideren duurt 6 à 7 weken, er is verder niks aan te doen, het moet uit zichzelf genezen. Ellen oefent nu om er zich bij neer te leggen, en dat kost wel wat krimp. Maar het belangrijkste is dat die los bungelende botjes in haar lijf een onaardse pijn genereren. Medicamenteuze pijnstilling werkt slechts ten dele, voor de rest is het een kwestie van het ultieme gemak houden. Verder gaat het Ellen wel goed; ze kan slecht zitten, niet liggen en beperkt staan. Maar ze doet haar best om zich aan de nieuwe status aan te passen, en dat lukt alleszins redelijk.

We hebben dan op zaterdagochtend in aller haast een crisisberaad belegd met Marleen. Zij is per slot onze taakverdeler, manager en knopendoorhakker wanneer het erop aan komt. En we waren er snel uit… Het diner moest worden afgezegd, zoveel was duidelijk. En ook borrelen of anderszins samenzijn op het Ministerie was problematisch en slechts ten dele wenselijk. 

Het komt er dus op neer dat alle leden van ons gezelschap in eigen familiaire kring hun maaltijd zelf moeten verzorgen. Daarna wordt eenieder laat in de middag verwacht op de Witte Brug (bij Marleen en Vincent) om ondanks alles het Kerstfeest samen tot een goed einde te brengen. 

Enfin, ondanks alle gedoe wensen Ellen en ik je een fijn, goed en geslaagd Kerstfeest. Je hoort nog van ons…

© paul

Please follow and like us:

À LA SOUPE! De maaltijd van Jan Soldaat…

À la soupe!..

Vandaag is het op de kop af 100 jaar geleden dat de Eerste Wereldoorlog ophield te bestaan. Op 11 november 1918 werd een wapenstilstand van kracht die sindsdien als officiële beëindiging van de Grote Oorlog geldt, hoewel de uiteindelijke vredesovereenkomst pas een jaar later werd getekend.

Er zijn talloze manieren denkbaar om op die Grote Catastrofe terug te kijken. Je kunt het standpunt innemen van de generaal, maar ook het standpunt van de lijdende burgerbevolking. Je kunt de politieke complicaties bedenken, de economische of de militair-strategische. Je kunt je inleven in de ellende van Jan Soldaat, die tot aan zijn nek in de modder van de verregende loopgraven stond en een grote kans had er nooit meer levend uit te komen. Je kunt meevoelen met het thuisfront dat met angst en beven wachtte op een levensbericht van de geliefde aan het front en het uiteindelijk vaak moest doen met de overlijdensakte.

Ik probeer iets te bedenken over eten en drinken. Specifieker gezegd, over eten en drinken aan het front, in de voorste linies. En dan gezien vanuit een Frans perspectief. Ik gebruik daarbij de lectuur van een boekje dat een paar jaar geleden is verschenen bij de kleine Normandische uitgeverij Heimdal. Het heet À LA SOUPE! Le repas du poilu en is geschreven door Anne-Elisabeth Groult en Jerome Delille. Daar gaat-ie dan:

De kist sluimerde bijna honderd jaar ergens op een zolder, en het is een mirakel dat ze werd behoed voor de altijd aanwezige sloopkracht van Vadertje Tijd… Zoiets degelijks staat er in het (wel erg bloemrijke) voorwoord van de studie À LA SOUPE!, een studie over eet- en kookpraktijken in de Franse loopgraven van de Eerste Wereldoorlog. De schuingedrukte aanhaling is mijn interpretatie van de oorspronkelijke Franse tekst …

De kist waarvan sprake is vormde oorspronkelijk een soort van draagbare veldkeuken die tijdens de Eerste Wereldoorlog ergens gediend heeft aan het front. De kist was gevuld met een paar metalen gamellen, wat vertinde schaaltjes en borden, wat keukengereedschap, linnengoed, een olielamp en twee veldflessen; één voor water, één voor wijn (het blijven Fransen…). De inhoud van de kist was zo samengesteld dat ermee gekookt kon worden voor een groep(je) van een man of vier, vijf…

De officiële veldkeuken, zoals gebruikt door alle strijdende partijen, was een groot gevaarte (Gulaschkanone op z’n Duits, Roulante in het Frans), waarin maaltijden werden bereid voor honderden manschappen tegelijk. Het eten voor de frontsoldaten kwam altijd van een eind achter de linies, daar waren de veldkeukens geïnstalleerd. Via ingenieuze aan- en afvoerroutes werd het volk dat her en der gestationeerd lag aan het front voorzien van maaltijden: drie maal daags. Maar er waren altijd weer situaties waarin de aanvoer stokte of gewoonweg niet mogelijk was. Maar het volk moest toch eten? De nood-rantsoen-kisten vormden een uitkomst; je kon ter plekke je maaltje maken voor jou en je makkers. Mits er ingrediënten voor handen waren…

Bij het uitbreken van die Grote Oorlog ging nagenoeg iedereen ervan uit dat men met Kerstmis van datzelfde jaar weer thuis zou zijn; Russen, Oostenrijkers, Engelsen, Duitsers, Fransen en al het volk uit de koloniën van die grote mogendheden. (Dat gold voor het klootjesvolk; beleidsmakers, politiek en militair verantwoordelijken hadden zo hun twijfels…) De geestdrift waarmee mannen begin augustus 1914 in London, Parijs, Berlijn, Wenen en Petersburg werden uitgezwaaid voor de korte campagne is zowel bizar als vervreemdend (en deels een mythe…). Enfin, het liep anders, vier ellendige jaren zouden volgen.

Aan het begin van de oorlog, in 1914, was bij legerdecreet bepaald hoeveel voedsel er per Franse soldaat werd uitgedeeld. Voor de soldaten die daadwerkelijk aan gevechtshandelingen deelnamen was dat 1200 calorieën, wat minder dan de helft is van wat een normaal mens per dag nodig heeft. De legerleiding ging ervan uit dat soldaten zelf best voor de aanvulling tot een normaal rantsoen konden zorgen. De achterban thuis diende daarbij behulpzaam te zijn door kwistig met voedselpakketten te strooien. En ach, dacht men kennelijk, het was toch slechts voor de duur van een paar maanden, de oorlog zou in een mum van tijd voorbij (en gewonnen) zijn.

Het liep evenwel anders. De oorlog duurde vier eindeloze jaren, de voedselaanvoer van thuis haperde en de soldaten raakten ondervoed. Het Franse leger besloot dan tot een drastische aanvulling op het dagelijks rantsoen. Aan het eind van de oorlog, in 1918, was de dagelijkse portie voor soldaten in de eerste linie opgewaardeerd tot 3793 calorieën. Voor de collega’s uit de koloniën bedroeg de waarde 4115 calorieën (waarom er verschil is wordt me niet duidelijk). Engelse soldaten hadden in die tijd recht op 4489 calorieën en Amerikanen zaten daar met 4452 net onder. Het rantsoen van Duitse soldaten bleef steken op 2985 calorieën. Dat had alles te maken met de volkomen geïsoleerde, van alles afgesloten situatie van Duitsland.
Rata rapide (pommes au lard)...

Laten we ons beperken tot die Fransen. Wanneer die hun ruim 4000 calorieën, liefst verdeeld over drie maaltijden per dag, aangeboden kregen was er wat dat betreft weinig mis. De bulk van het leger bevond zich achter de frontlinies, dus voor het merendeel van de manschappen gold er weinig te klagen, zij waren nagenoeg altijd bereikbaar voor voedselaanvoer. Anders lag het voor het volk in de voorste linies: het volk in de loopgraven, in de ingesloten fortificaties. Stokte de aanvoer dan was men  uiteindelijk aangewezen op die paar gasten in de buurt, die paar kameraden met wie men moest zien te overleven. Enigszins plastisch gedacht zouden de omstandigheden er als volgt kunnen uitzien…

Stel je voor: die ene verdwaalde Waalse soldaat die je Franse regiment was komen versterken bracht van thuis een zak Plate de Florenville mee. Nou, dan konden ze op het hoofdkwartier toch mooi hun varkensaardappelen in hun … stoppen. En dat ranzige spek trouwens ook, want Jean uit de Gers had van zijn schoonvader een zij van het prachtigste spek meegekregen. Ongeblutste uien kon men gisteren nog betrekken via een vrouwtje dat met groente ventte, achter de linie, en ook een paar sjalotjes bood ze aan. Het zout was gewoon georganiseerd via de regimentsveldkeuken, maar de peper was van Pierre, hij had wel een kwart ons op voorraad. Jammer alleen dat Jérôme uit Bourgondië op verlof was, naar de verse peterselie kon je deze keer wel fluiten. Vetstof was er ook wel te vinden. Misschien geen verse boter, maar wat olijfolie voldeed. En was er uiteindelijk helemaal niks aan vettigheid dan voorzag het leger (ook in de voorste linies) wel in een alternatief: wapenolie. Toegegeven, het was smerig, maar je moest wat…

Enfin, onder die omstandigheden was de inhoud van een noodkist als waarvan hier sprake is een zegen. Simpele voorwerpen die men kon gebruiken als bak-, braad-, kook-, of stoofpot. Als eetgerei en als drankcontainer. Mits er ingrediënten voorhanden waren kon er altijd een maal gekookt worden. En dat was toch op z’n zachtst een zegen voor een paar sloebers in totaal verregende, zompige en van godvergeten omstandigheden.

Ach lezer, een groot geleerde heeft eens gezegd dat het wereldomvattend leed slechts gevoeld kan worden wanneer men het terug brengt naar het niveau van de kleine mens. Iets dergelijks voelde ik bij het lezen van dat boekje over de maaltijden van de poilue, die simpele ongeschoren Franse frontsoldaat.

Vandaag is het honderd jaar geleden dat er een bestand werd getekend ten einde dat belachelijk en mensonterend conflict te stoppen. Een godsgeschenk was het voor iedereen die onder de wapenen lag, van welke nationaliteit, afkomst of overtuiging dan ook. Intussen weten we ook dat het de opmaat was naar die andere ramp van de 20e eeuw: Wereldoorlog II...

In het verleden maakten we een paar keer gebruik van de (schaarse) recepten die het boekje ook biedt, deels uit curiositeit, deels omdat het eenvoudigweg een maaltijd oplevert. Lees bijvoorbeeld: Rata Rapide…

© paul

Please follow and like us:

Bouchée à la reine (Kippenpastei)…

Bouchée à la reine (Kippenpastei)...

Ellen bereidde dat recept met die kip en de sinaasappelsaus uit het nieuwe boek van de Firma Kleyn (zie verwijzing onder dit artikel). Met name via Facebook (waarop we ook al onze artikelen publiceren) kwamen veel reacties; mensen vonden het aanstekelijk, smakelijk, bijzonder, gedurfd, oubollig of gewoonweg leuk. Dank aan de respondenten.

Maar het gaat ten slotte over de bereiding van een hele kip, en dat in ons geval voor twee personen. En altijd is er dan ook weer de pseudo-kritische noot van mensen die er helemaal niets van snappen. Die ons laten weten dat het recept hen onbruikbaar lijkt omdat er veel te veel van het edel vlees overblijft. Die ons voorstellen om filetjes te gebruiken (want wat moet je met de rest van de kip?). Die suggereren dat we aan serieuze verspilling doen. Ach, enzoverder enzovoort…

Enfin lezer, nog één keer, en dan misschien voor het laatst (want ik schreef dit epistel al vaker), wil ik je uitleggen hoe het gaat…

Kijk naar de foto in de kop van dit artikel en je ziet waar een groot deel van het overgebleven kippenvlees bleef. In een eenvoudige maar overheerlijke kippenpastei. (Een bruikbaar recept beschreef Ellen al in 2008, zie onder dit artikel).

Het vlees valt ook te verwerken in salades, in wraps, in aardappelschotels, in Hamburgerachtige vleeskoeken. (Je kleinkinderen zullen je eeuwig dankbaar zijn: met saus opa, met saus...) En ga zo nog maar even door!

Karkas (van de geroosterde kip), resterende botten, desnoods de vellen en drellen (hoewel die hier altijd voor Hond Jaros worden gereserveerd) lenen zich er uitstekend toe om een klein maaltje bouillon te bereiden. Kwestie van het afval in een pannetje smijten, sjalotje erbij, een stronkje bleekselderij, bouquet garni erbij en een straal water. Peper en zout naar smaak. En is je dat niet voldoende dan gaat er wortel bij, knolselder, bosui of prei. Ook met specerijen kun je vrijelijk toveren. Het is jou potje, je doet ermee wat je wilt. Je houdt er een prima bouillon aan over, voldoende om mee te koken, voldoende om een paar borden soep te bereiden voor je lunch.

Tsja, wat moet je er verder van zeggen? Lezer: vind je dat we dingen ten principale fout doen, dat recepten niet kloppen, dat er slordigheden insluipen in onze artikelen, laat het ons in godesnaam weten. We zijn daarmee gebaat en we zullen je dankbaar zijn.

Enfin lezer, houd ons in ere!

© paul

 

Please follow and like us:

Al een week pensionado…

Gewone heksenboleet in augustus...

De foto toont de fantasieën van een beginnend pensionado. Al geruime tijd droomde ik namelijk van een ferme paddenstoelenvangst op mijn eerste dag in het vrije leven. En het had zomaar gekund hoor; de foto laat de oogst zien van een middag in augustus anno 2014. Evenwel: de huidige atmosfeer was te droog en er heerste een buitentemperatuur van een moordende 29 à 30graden Celsius; paddenstoelen vinden dat niet fijn.

Ik zit binnen en overdenk mijn eerste vrije week. Ik haat dat weer! Ik ben van de druil, de mist, de grijsheid, sombere luchten en land dat geurt naar schimmels. Natuur die afsterft, verkleurt, verslonst; de afdruk van modderpoten van de hond op de drempel van de achterdeur. Het zint me allemaal niet, dat opgewekte zomergedoe in de herfst…

De Koudegrondpsycholoog in onze kringen verklaarde mijn misnoegen met volgende theorie (aanname): Je bent nog niet toe aan afscheid van je arbeid, je mist afstand en je mist de hectiek en dynamiek van het werken met lijdende medemens...

Deze Hobbyfreudteler mag het allemaal goed bedoelen, hij zit er volkomen naast. Ik ben blij dat ik thuis ben, blij dat ik geen arbeidzame verplichtingen meer heb. En de lijdende medemens zal het moeten stellen met mijn veel jongere (ex)collega’s. En die zijn goed in hun vak, daar ben ik vanuit de grond van mijn hart van overtuigd.

Enfin, intussen heeft ook Ellen afscheid genomen van de haar zo vertrouwde werkomgeving, van haar broodheer, van de collega’s, van de studenten, van Eindhoven. Ook zij maakt aansprak op de vruchten van een lang en arbeidzaam leven.

En (werkelijk) iedereen vroeg ons de afgelopen week hoe het nu voelt, pensionado te zijn…

Ach lezer, weten wij veel?

Morgenvroeg gaan we ervoor zorgen dat onze Jop op tijd op school is, dat is belangrijk. Daarna zijn er legio klussen in verband met het pensionadofeest van aankomend weekend, zo ook het uitruimen van delen van huis en haard, tuin en gangpad. Enfin, druk, druk, druk…

Ellen is een ochtendmens, altijd voeg op. Ik zit hier bij nacht en ontij nog een stukje te tikken. We moeten voor dat tijdsdebacle nog een modus vinden. Maar zo moeilijk kan dat niet zijn…

(Back to basics, roept onze morele bodygard Julia dan; vertel waar het over gaat…)

Eh, nou ja, de afgelopen week aten we meer dan goed. Gegrilde zalm op een bedje van zeewier, lamsschenkel met gestoofde groentjes, pastei van grijze garnalen, stamppotje van kakelverse andijvie en opperdoezen, gestoofde schouderkarbonade (van het varken) in vers bockbier, en pruimentaart toe…

Enfin lezer, hier moet je het voor nu me doen. Ik sluit mijn ogen en geniet nog even van de fantasieën op Bratsche (altviool) van feestneus Telemann..

Barokke muziek is echt mijn ding ( oh yeh….).

©paul

 

Please follow and like us:

Stekjes van de salie (salvia officinalis)…

Stekjes van de salie...

De chefkok van Bistrot an der Ho, nabij ons optrekje in Luxemburg, zat te miepen over de kwaliteit van zijn salie. En ja, het was ook een schamel plantje dat daar op zijn terras stond te kwijnen. Weinig geur, weinig smaak en een belabberd voorkomen.

Ik wees hem dan op een plant die weelderig in het blad zat en uit zijn krachten stond te groeien, een goede vijftig meter van zijn bedoening. De plant stond iets verscholen achter de oude gele Castle-stacaravan, die ons tot onderkomen diende in lang vervlogen tijden. Helmuth had de plant al wel zien staan, maar ervan geplukt had hij nog niet. Is ie echt goed? vroeg hij me. En ik dacht: ja man, jij bent hier de chef, probeer het dan uit… Maar ik zei: Ja Helmuth, hij is echt goed, en ik kan het weten want we hebben hem zelf geplant, een goede achttien jaar geleden.

En ik meende het ook: het was een fantastische salieplant. Robuust van voorkomen en volop in het blad. Sterk geurend ook, want barstensvol etherische olie. Als de tijd daar was bloeide hij overdadig met prachtige lipvormige paarse bloemen. We kregen de plant als uit de kluit gewassen stek van een bejaarde Italiaanse Heer. (Zie artikelverwijzing onderaan de pagina.)

Of Helmuth intussen van de plant heeft geplukt weet ik niet, want onze conversatie over de salie vond plaats op de vooravond van ons vertrek, fin de vacance. En de dag daarna heb ik Helmuth niet meer gezien. Wel weet ik dat de plant binnenkort het loodje zal leggen. De oude gele Castle wordt gesloopt en de salie staat dermate dicht tegen het gevaarte dat hij het niet zal overleven. Ik ken de slopers: die hebben geen groene vingertjes, écht niet…

Dus sneed ik ‘s ochtends, vlak voor het vertrek, een tiental stekken van de plant. Ik verpakte ze in nat keukenpapier en draaide er nog wat keukenfolie omheen. Daarna verdwenen ze in de electrische koelbox die al zoveel diensten bewees tijdens verzengende autoritten. Thuis verplaatste ik de stekjes dan onmiddellijk naar de buitenkoelkast… Om ze vervolgens te vergeten!

Na een dag of tien vond ik ze terug, helemaal verstopt, verborgen achter potten Rotwurst, flessen Bouillabaisse en (niet meer zo) verse pasta. Gelukkig had ik (bij thuiskomst) het plastic voor een deel verwijderd, anders had je het nu wel kunnen schudden. Het vochtige keukenpapier had de stekken uiteindelijk behoedt voor uitdroging, maar het hing wel allemaal wat slapjes.

Ik ben ze dan toch maar gaan oppotten. Overtollige bladjes werden afgescheurd en daarna kregen de stekjes een behandeling met stekpoeder. De bedoeling is dat er wortelontwikkeling plaats vindt op de plaatsen waar de stek wondjes heeft door het afscheuren. Het stekpoeder van Marleen helpt bij de ontwikkeling.

De foto van de stekjes is alweer enige dagen oud, ze zien er daar wat verwaaid uit. Intussen echter staan de blaadjes van de stekken in het gareel, het ziet ernaar uit dat de late zomerstekken wel degelijk nieuwe planten op gaan leveren.

Ik schat dat we zelf drie stekken kunnen plaatsen, en één is gereserveerd voor Helmuth. Van de rest komen we gemakkelijk af: wie het eerst oogst, die het eerst maalt…

Ik houd je op de hoogte…

Lees ook: De salie van een Italiaanse Heer…

© paul

Please follow and like us:

Joy, Joy, en nog eens Joy…

20180808_223526
Drinken, drinken, drinken, melden media en overheid. En ik zou het maar doen. Bij deze tropische waarden (trooptiek is eigenlijk een mooier woord, maar het bestaat niet…) droog je uit voor je het weet; uitputting, koppijn, verpeste nieren en sjacherijn zullen je deel zijn. De officiële temperatuurwaarde voor deze dag is 37 graden Celsius, in de schaduw…

Groot- en kleingrutter, supermarkt en horecaf, ze krijgen water en bier niet aangesjouwd. En de frisdrankschappen zijn slecht of niet gevuld; de vraag naar méér is niet bij te houden. De grote merken (kleine merken ken ik nauwelijks) waren dan wel voorbereid op een zomerse explosie, tegen het huidige warmteterrorisme valt niet op te werken. En het gaat nog duren lezer, het gaat nog duren.

Ik zit in de schaduw en ik doe niks. Buiten zitten vier hoogbegaafde meiden in het kinderbadje van Jop. Ze doen in het gewone leven allevier een ingewikkelde universitaire studie, maar nu zingen ze Vader Jacob, spatten en spoedellen met water en kwetteren en giechelen als uitgelaten kleuters. Ellen leest stoïcijns haar boek, die laat zich niet storen. Ik sluit intussen mijn ogen en poog te dommelen…

De zwembadgeluiden, de vreselijke temperaturen en het verlangen naar vocht brengen me terug tot m’n kinderjaren. Mijn moeder schenk mij en mijn zusje een flesje Joy, bij uitzondering, want het is nog geen weekend, maar het is belachelijk heet, dus…

Joy limonade is namelijk de vloeibare versnapering die alleen in het weekend wordt geschonken. Op zaterdagavond één flesje, op zondagavond (vroeg in de avond) mogelijk, en bij hoge uitzondering, nog een. Er zijn twee smaken, sinaasappel en citroen. Ik kies altijd voor citroen.

Ook bij Ellen thuis, aan de andere kant van de wereld, gold iets dergelijks. Je had eenvoudige aanmaaklimonade (bijvoorbeeld Siebrand) voor dorstige momenten, en je had Joy voor de luxe. Vader Bouckaert betrok de frisdrank via de plaatselijke slijter in Hillegom, samen met een fles Tip van Bootz en een fles Vieux van Dujardin, elke week weer. Mijn ouders werden beleverd door de Firma …, Grootgrutters te Gemert. De limonade zat verpakt in kleine bolle flesjes en kwam in minuscule houten kratjes.

Vraag het aan een Nederlands persoon, geboren vóór 1965, en de kans is groot dat hij of zij de frisdrank kent. Of toch op z’n minst de iconische reclames. Het beeldmerk en het unieke flesje werden ontworpen door Gerard Kiljan, de aanduiding Puur Natuur kwam van Herman Pieter de Boer (later meermaals gejat door andere frismakers, waaronder Hero…). De wondermooie affiches zijn allemaal van de hand van Cor van Velsen; ze hebben na al die jaren niets aan schoonheid ingeboet en zouden vandaag de dag zomaar weer voor een reclamecampagne kunnen worden ingezet.

De N.V. Joh. Koster Handelsmaatschappij was producent van Joy. en zetelde oorspronkelijk in Hilversum. Het bedrijf was eind negentiende eeuw opgericht en produceerde in het interbellum vruchtenlimonades. Vanaf 1946 ging Koster aan de slag met een nieuw product. Hij schreef onder het personeel een prijsvraag uit met als doel tot een nieuwe pakkende en moderne naam te komen. De directiesecretaris (Mr. F. A. Bontje) kwam met Joy op de proppen en casseerde als winnaar vijfentwintig gulden en een gloednieuw polshorloge. Slimme bedrijfsvoering zorgde voor de rest.

Nu was de frisdrankenproductie niet de belangrijkste bezigheid van Koster. Belangrijker waren zijn bieragentschappen. Het betekende eenvoudigweg dat brouwerijen alleen hun producten konden uitventen via Koster, daar waar hij consessies bezat. De belangrijkste consessie was Gooi en verre omstreken. Ook Heineken was in een ver verleden een contract aangegaan met Koster, en zat er nu voor jaren aan vast. Het betekende dat Koster niet alleen Heinekenbier verkocht op plaatsen waar hij dat mocht, hij zette op die plaatsen ook zijn eigen frisdrank uit, ten koste van het Heinekenmerk Sisi. Het was Heineken (toen al op weg een wereldspeler in de branche te worden) een doorn in het oog dat een kleine limonadeboer aan de haal ging met winsten die naar hun idee in de kas van de Amsterdamse brouwerij zouden moeten vloeien en die bovendien het eigen merk Sisi uit de markt prees.

Heineken heeft er dan ook alles aan gedaan om zaken (in hun ogen) recht te zetten. Uiteindelijk kochten ze de hele Handelsmaatschappij van Koster over en binnen één jaar legden ze de productie van Joy stil en vernietigden de hele voorraad en de volledige emballage ten gunste van het eigen merk Sisi. Joy is sindsdien een slapend merk, zeg maar gerust comateus, maar het bestaat dus nog wel.

Eén maal heeft Heineken Joy even wakker laten worden. Dat was toen er een heuse prijzenoorlog in de frisdrankenbrache losbarstte, ergens in de jaren tachtig van de vorige eeuw. Ze wilden hun eigen merk Sisi niet blootstellen aan het gedoe en brachten dan weer even Joy uit. Na twee jaar werd het merk weer te slapen gelegd. De Joylimonade uit de jaren tachtig was in kwaliteit nog geen schijntje van de vruchtensappen uit de jaren veertig en vijftig.

Het feit dat jonger volk geen weet heeft van Joy, van de smaak en van de iconische verschijningsvorm is niet raar. Heineken heeft Joy succesvol uit winkelschap en straatbeeld gepoetst. Alsof het er nooit is geweest.

Ik ben echter oud genoeg om me de vruchtenlimonade te kunnen herinneren, evenals vele van mijn generatiegenoten zich Joy herinneren. De frisheid, het sprankelende, het gepaste zoet, de bolbuikige flesjes, de onwaarschijnlijk mooie affiches, de exclusiviteit. Maar we sterven zoetjesaan uit lezer, we sterven uit…

We zagen onlangs nog een paar Joyaffiches van Cor van Velsen terug in het Nederlands Steendrukmuseum in Valkenswaard. Zo mooi… (Ellen moest voor de illustratie gebruik maken van een afbeelding uit een catalogus met werk van Cor van Velsen. Dien ten gevolge valt een en ander van de briljante kleuren weg, Het zij zo…)

© paul

Please follow and like us: