Spekkersen…

Napoleonkersen...

De kersentijd is voorbij, morgen begint de maand september alweer. Maar ik kwam de foto tegen en ik dacht: Als ik er nu niks mee doe dan verdwijnt het plaatje in een stoffig hoekje van ons archief en da’s ook zonde… Dus:

In mijn jeugd at ik ze, en ik at ze graag. Er ging geen jaar voorbij of er kwam in de zomer wel een maaltje spekkersen voorbij. Waar men ze vandaan haalde, ik zou het niet weten. Misschien kwamen ze bij ons vroeger algemener voor, misschien hadden kennissen van mijn ouders een boom. En ook opa Jehan keek elk jaar volop uit naar dat fruit, al was het alleen maar omdat opa geen andere kersen in zijn kersenpannenkoek duldde dan spekkersen.

We liepen met Julia over de weekmarkt in het Zuid-Belgisch stadje Arlon. Daar lagen die spekkersen te pronken en ik werd er meteen hebberig van. Julia, een gekend kersenliefhebber, huppelde intussen alweer ruim twintig jaar rond op deze aarde, maar spekkersen kende ze in het geheel niet. En daar, aan die marktkraam, realiseerde ik me dat ik de kersen ook al in geen jaren meer gezien had, laat staan geproefd. Alle reden om een maaltje te kopen.

Over de oorsprong van de oerspekkers bestaan verschillende verhalen, maar zoveel is duidelijk: het ras werd ontwikkeld rond 1800 in de buurt van de Duitse stad Halle. Binnen enkele jaren verspreidde de kers zich over Europa en het was een tuinbouwer en rasveredelaar uit het Belgische Henegouwen, genaamd Louis Parmentier, die de kers in 1828 de naam gaf waaronder ze tot aan de dag van vandaag wereldwijd bekend staat : Bigarreau Napoleon. Andere gangbare, maar meer lokale namen zijn Kaizerskirsche, Grosse Prinzessin, en bij ons dus Spekkers.

De spekkersenboom bloeit in april en mei, en de vruchtjes worden in juli en augustus geoogst. De bomen zijn evenwel gevoelig voor een aantal ziekten en de vruchten willen nogal eens barsten door toedoen van een flinke regenbui. Bovendien eisen de bomen een rijke boden. (Mogelijk allemaal redenen waarom ik die spekkers bij ons niet meer zie…)

De kersen hebben stevig vruchtvlees dat een zoetig sap bevat. De kleur van het vruchtvlees is geel met soms hier en daar een rood vlekje. De smaak van de kersen is heerlijk, een heel mooie balans tussen zoet en een tikje bitter. De vruchten worden roder naarmate ze rijper worden, maar ze blijven altijd voor een deel geel. De kersen bevatten opvallend veel vitamine C.

De spekkersen die we op die markt in Arlon kochten kwamen uit de Haspengouw, zeg maar het Belgische equivalent van onze Betuwe. En ze waren dus écht zo lekker als vroeger. Zouden ze ook écht zo zeldzaam zijn als ik nu denk?

Ik vroeg nachtcollega Johan of hij spekkersen kende. Nou en of, zei hij, het zijn de lekkerste kersen uit mijn jeugd. Ik zie ze tegenwoordig nooit meer. Vervolgens stelde ik dezelfde vraag aan Loes, een aanmerkelijk jongere collega die me in de ochtend af kwam lossen. Nee, zei Loes, die ken ik niet. Hoewel, als ik de foto bekijk doet het me denken aan iets dat ik wel eens bij mijn oma zag.

Hoewel dat gevraag van mij niet de waarde heeft van een representatieve steekproef, geeft het toch iets aan van mijn vermoeden: de spekkers verdwijnt uit ons zicht. Wat zonde!

(Voor dit artikel maakte ik onder andere gebruik van de website van de Fruitpluktuin in Haaksbergen.)

© paul

 

Spencer, de Amerikaanse Trappist…

Spencer Trappist Imperial Stout...Het moet toch weer even gezegd worden, want de verwarring blijft opspelen…

Trappistenbier mag alleen Trappistenbier heten wanner het gebrouwen is binnen de muren van een Trappistenklooster. Alle andere bieren die iets met paters of nonnen van doen hebben (of suggereren dat ze dat hebben) heten abdijbier, kloosterbier of bedenk maar wat. Het zijn géén trappistenbieren!

In de tijd dat de wereld overzichtelijk was, nog maar kort geleden, bestonden er zes trappistenkloosters in België en één in Nederland die zich Trappistenbrouwer mochten noemen. Intussen is de lijst aangevuld tot elf statushouders. Het zijn: Achel (B.), Chimay (B.), La Trappe (NL.), Orval (B.), Rochefort (B.), Spencer (USA), Stift Engelszell (A.), Tre Fontane (I.), Westmalle (B.), Westvleteren (B.), Zundert (NL.).

Trappistenbier is geen biertype, de diverse brouwerijen maken heel verschillende bieren. De bindende factor is, zoals gezegd, dat ze binnen de muren van een trappistenklooster zijn gebrouwen. Trappistenbieren hebben een keurmerk: een bruin zeshoekig vlak met de opdruk Authentic Trappist Product. De opbrengst van het brouwen wordt deels aangewend als inkomsten voor het desbetreffend klooster, en voor een deel wordt het geld gebruikt ter ondersteuning van maatschappelijke goede doelen.

De kwaliteit van Trappistenbieren is doorgaans goed, in een aantal gevallen zelfs uitmuntend. Het bier van Westvleteren wordt al jaren door bierliefhebbers van over de hele wereld bekroond als Beste Bier Ooit en ik sluit mij daar vol overtuiging bij aan. Verder is het mijn persoonlijke mening dat het bier van Achel weinig om het lijf heeft. En over dat van Zundert moet ik nog eens goed nadenken. Voor de rest ben ik tevreden, tot zeer tevreden, over de Trappistenbieren. Intussen overwegen nog andere Trappistenkloosters om een brouwerij te starten, het zal me benieuwen…

Dit weekend proefde ik het bier van het Trappistenklooster Saint Joseph’s Abbey, Spencer, Massachusettes, USA. Het is een relatief nieuwe ster aan het firmament van Trappistenbrouwerijen, ze brouwen er nog maar sinds een paar jaar. Voor de ontwikkeling van hun brouwerij en vakmanschap gingen ze te rade bij hun Europese broeders. Met name aan die van Westvleteren zijn ze volop schatplichtig. En dat is te merken ook. Spencer Trappist Imperial Stout...

Zeven verschillende bieren komen er van de brouwerij, ik kan slechts over twee meepraten. Laat ik het bij die ene bruinzwarte houden, gecomponeerd naar het type dat we kennen als Russian Imperial Stout.

Russian Imperial Stout is het biertype dat in vroeger dagen in Engeland werd gebrouwen voor het Russische Keizerlijk Hof. Een fors bijna zwart bier, flink van alcohol, sterk en geprononceerd van smaak. (Denk aan koffie, denk aan zwarte chocolade.) De Trappistenbroeders van Spencer namen dit type als uitgangspunt voor hun Trappist Imperial Stout. En daar hebben ze goed aan gedaan. De typische smaaksensaties van Russian Imperial Stout lieten ze intact. Geur en smaak van zwarte chocolade, tonen van geroosterde mout, koffie en bitter vind je onmiskenbaar terug in dit bier. Maar daar waar Russian Stout nogal eens hard wil zijn, stug en eigenlijk alleen voor de echte liefhebber, daar hebben de paters een mildheid in het bier weten te brengen, zonder op enigerlei wijze afbreuk te doen aan het type. Sterker: dit is misschien wel de beste Russian Stout die ik dronk (en ik heb er nogal wat weggeslobberd…).

Alles aan het bier lijkt te kloppen. De kleur van de vloeistof, de kleur van de kraag. De geur van gedroogd fruit en rozijntjes en van zwarte chocolade. De smaak van chocolade en koffie, met fruit als ondertoon. De stevigheid van het bier en de prettige middellange afdronk. En tegelijkertijd de mildheid. Een heel complex bier, een heel mooi bier…

Het bier komt in flessen van 70 centiliter (wijnfles) en je betaalt er ongeveer een tientje voor. Da’s-nie-niks voor een fles bier, ik weet het. Maar je moet het op z’n minst eens geproefd hebben. Via internet laat men mij weten dat de andere bieren van Spencer ook thuishoren in het hoger kwaliteitssegment.

Klik hier op de link naar Trappistenbrouwerij Spencer

© paul

 

Rijfkoek (aardappelpannenkoekjes)…

Gromperekichelcher (aardappelkoekjes)...
Het woord Reifkoek kom ik op enkele plaatsen tegen, maar ik houd het bij Rijfkoek. Het is een samengesteld woord, waarbij rijf, in een wat verder verleden, de betekenis had van rasp. De Nederlandse naam aardappelkoek of aardappelpannenkoek wordt vaker gebruikt, maar die is toch een beetje saai, dus… Rijfkoek.

Dat het in een heleboel landen een algemeen gerecht is mag blijken uit de hoeveelheid aan vreemde namen die ik voor de Rijfkoek mocht verzamelen. (Er werden intussen ook al aanvullingen aangedragen, ik houd me vooralsnog aanbevolen voor nieuwe, mij onbekende specimen.)

Mijn eerste experimenten met de koeken pakten heel behoorlijk uit. Ik zocht een aantal basisrecepten bij elkaar op internet en zeefde er een soort gemiddelde uit. Het ging als volgt:

  • 1 kilo (geschilde) aardappelen,
  •  250 gram ui,
  • 2 tenen knoflook,
  • 2 eieren,
  • 6 eetlepels meel,
  • flinke hand gehakte peterselie,
  • zonnebloemolie (koolzaadolie),
  • peper en zout.

Rasp de geschilde aardappelen in korte dunne sliertjes. Knijp de geraspte massa met de hand flink uit, zodat je overtollig vocht kwijt raakt en doe de massa in een kom. Hak de ui fijn of rasp hem met een iets grovere rasp en doe bij de aardappelmassa. Druk de knoflook door de knijper en voeg de pulp toe. Strooi de fijn gehakte peterselie over de massa en breek de eieren erbij. Voeg peper en zout toe en strooi er dan het meel over. (De kom zou afgedekt moeten zijn met een dun laagje meel, hetgeen in mijn geval overeenkwam met 6 eetlepels.) Werk nu de massa met de hand krachtig om tot alle ingrediënten een homogene massa vormen.

Verhit nu in een goede koekenpan een flinke laag olie (de koeken moeten zwemmen zegt Ellen). Schep met een lepel een hompje van het deeg in de pan. Druk het deeg plat zodat je een dun koekje krijgt. Wanneer de onderkant van het koekje stevig aanvoelt en mooi goudbruin is aangekleurd, draai het om en laat de andere kant bakken. Wanneer ook die kant goudbruin en stevig is is je koek klaar. Schep uit de pan en laat uitlekken op keukenpapier. En dat is eigenlijk alles…

  • Opmerkingen:
  • Een pover bodempje olie in je pan volstaat niet. De koekjes dienen, volop in de olie, als het ware gefrituurd te worden. Bij weinig olie ben je op een andere manier aan het bakken, het schiet niet op en het eindresultaat is twijfelachtig.
  • Hoe lang je de koekjes moet bakken is niet precies in tijd aan te geven, maar bij het derde exemplaar ben je er wel achter. Het wijst zichzelf…
  • Je moet met de temperatuur van de olie blijven spelen. Bij hoog vuur gaat het op den duur te hard en verbrandt je olie, bij te weinig hitte bakt je koek te langzaam en wordt het te vet. Wanneer je blijft kijken zie je wel wat er gebeurd en kun je adequaat de temperatuur van je vlam, en dus van de olie, bijstellen.
  • De hoeveelheid aardappel die ik gebruikte leverde wel vijfentwintig koekjes op. Dat is natuurlijk teveel voor een bijgerecht bij een maaltijd voor vier personen. Geen nood, de koekjes smaken de volgende dag koud ook prima. Vers en warm is echter altijd te prefereren.
  • Heb je het basisrecept onder de knie dan opent zich een wereld van mogelijkheden. Er kunnen spekjes door de koek, kruiderij naar believen, specerijen naar smaak en verder eigenlijk alles wat je maar lekker vindt.
  • Probeer de Rijfkoek eens met een lik honing, of een klodder confiture. Je weet niet wat je proeft…

© paul

 

Gromperekichelcher…

IMG_3065

De onderstaande opsomming mag je eigenlijk gerust overslaan…

Gromperekichelcher (Luxemburg), Kartoffelpuffer, Reibekuchen (Pommeren, Silesië), Baggers (Frankenland), Bambes, gebackene Glies, Buttermilchglies (Vogtland), Flinsen (Oost-Pruisen), Rievkooche (Keulen), Kartoffelplätzcher, Panneläppcher (Zuid-Hessen), Kardofflkiachla (Baden-Würtenberg), Reiberdatschi, Erdäpfelpuffer (Beieren), Dotsch (Oberpfalz), Abernklitscher (Oberlausitz), Pillekooken (Bergisches Land), Krumpreschnittja, Reivekooche (Vulkaneifel), Rievkooche, Krebbelche, Schnibbelskuchen (Rheinland), Grommbierkischeljer (Saarland), Kartoffelklitscher (Obersachsen), Grumbeerpannekuche (Pfalz), Erbelkrebbel (Hessen), Rievesplätzjer (Westerwald), Krumbirnpöngeli (Unterfranken), Ballnklöß, Franzkung (Oberfranken), Baggerla (Frankenwald), Herdöpfelpuffer (Märkgräflerland), Dädsch (regio Coburg), Dötscher (regio Gotha), Datsch, Detscher (Noordelijk Thüringer Wald), Erdäpfelpuffer, Erdäpfelkrapferl, Kartoffellaibchen (Oostenrijk), Härdöpfelchüechli, Härdöpfeldätschli, Plain de pigna, Micluns (Zwitserland), Latkes, Latkas (Jiddisch), Draniki, Dranki, Krezliki, Kremzliki, Kakorki, (Russisch Askanasi), Levivot, Leviva (Hebreeuws), Bramborák, Cmunda (Tsjechië), Zemiakové placky, Haruľa, Nálečníky (Slowakije), Tócsni (Hongarije), драники Draniki (Witrusland), Tatti fish, Potato pancake ( Engeland), Boxty (Ierland),  Rärakor, Raggmunk (Zweden), Placki ziemniaczane, Placki po węgiersku, Placki kartoflane (Polen), Galette de pommes de terre (Frankrijk), Râpées de pomme de terre, Râpées (Morvan, Loire, Haute-Loire), Criques (Ardèche), Totsche (Elzas), Grùmbèrrekììschle, Grùmbèrreponnkùùche (Moselle), Gromperkicheln (regio Boulay), Gromperpankech ou Gromprepankech (regio Thionville), Vautes aux patate (Franse Alpen), Beignet râpé (Vogezen), Tortel di patate, Fritelle di patate, (Italië), Tortei da patate, Torta di patata (Trentino), Patatnik (Bulgarije), Pli’nce (???), Kartupeļu pankūkas (Letland), Bulviniai blynai (Litouwen), деруни Deruny (Oekraine), Rostipotet, Potetpanekake, (Noors), Kuku sip zamini (Iran), Gamja-jeon (Korea), Panekuk kentang (Indonesië), Hash brown (USA).

In Spanje spreekt men wonderlijk genoeg van Kartoffelpuffer en in Portugal heet het Reibekuchen. In Nederland houdt men het doorgaans op Aardappelpannekoekjes, hoewel er een erg mooi Oud-diets woord bestaat: Rijfkoek. En in Luxemburg heten ze dus Gromperekichelcher.

Je vind die aardappelkoekjes over de hele wereld, maar in Centraal- en Oost-Europa komt het gerecht meer dan veelvuldig voor; elke streek, provincie of stad heeft zijn eigen variant en naamgeving, de basis is altijd dezelfde. Ze zijn soms hartig, soms zoet. Ze worden gegeten met geklopte room, met paddenstoelen, met vlees. Of men besmeert ze met confituur, strooit er suiker over, doopt ze in de honing.

In de Joodse keukens van Oost-Europa schijnt het gerecht een belangrijke en zeer prominente rol te spelen. En voor Slowakije en Luxemburg is de aardappelkoek een nationaalgerecht. In Luxemburg vind je de koekjes bij de traiteur, in de supermarkt, op elk grill-fest en bij iedere vlooien- of jaarmarkt. Er bestaat een literair figuur, een meesterkeukenchef, die de koekjes bakt op de Nationale Jaarmarkt, de Schueberfouer.

Ik verzamelde een aantal namen van het gerecht (99 stuks), maar ik ben me ervan bewust dat dit slechts een kleine selectie is van het totaal. Er zullen nog wel gerechten zijn met zoveel namen, maar ik kan even niet bedenken welke. (Voor aanvullingen houd ik me overigens warm aanbevolen.)

Gisteren dan heb ik ze eindelijk eens zelf gemaakt. Geheel naar eigen inzicht, maar mét behoud van de traditie. Een dezer dagen zal ik ze voor je beschrijven. Mijn uitprobeersels pakten goed uit. Ellen en Julia waren trots op me…

© paul

Aanvulling: Riefkeukskes (Ned. Limburg, met dank aan Martine…) Fratzen, Tötinger, ( Zuid-Duitsland, met dank aan Piet…), Döppekooche, Dibbelabbes (Rijnland, met dank aan Piet…). Revierreibekuchen, Püfferkes (Ruhrpott.), Dyruny (Oekraïne.), Kartoffelkrapferl, Reiberdatschi, Erdäpfelomelette, (Oostenrijk), Grumbeerekiechle (Elzas), Bimuelos de patatas (Judeo-Spaans).

Vroeg Eekhoorntjesbrood…

Boletus aestivalis (Boletus reticulatis)...

Gisterochtend plukte ik de eerste paddenstoelen van dit seizoen. En het was raak ook, want het betrof het broertje van het Eekhoorntjesbrood, namelijk de Boletus aestivalis, de paddenstoel die de Duitsers Sommer-Steinpilz noemen. Ik heb wat ruzie gemaakt met nachtcollega Johan, paddenstoelenliefhebber en voorzichtig plukker, net als ik. Hij had de paddenstoelen al eerder gespot en hij noemde ze Boletus reticulatis, oftewel Vroeg Eekhoorntjesbrood.  We kwamen er samen niet uit, want de ene nog eigenwijzer dan de ander…

Toen ik dan in alle rust thuis een en ander nog eens navlooide, de tafel bedekt met alles wat ik aan paddenstoelengidsen in huis had, kwam ik tot het belachelijk inzicht dat we beiden gelijk hadden: de namen worden namelijk door elkaar gebruikt. Spreekt men in Frankrijk intussen steeds vaker van B. reticulatis, in Italië houdt men het bij de oude naam B. aestivalis. In Duitsland worden de namen dan weer door elkaar gebruikt. Hier ten lande lijkt men te tenderen naar B. reticulatis. (Aestivalis betekent: van de zomer, terwijl reticulatis verwijst naar de nettekening op de steel van de paddenstoel.)

Is dat nou zo belangrijk, dat geleuter over die namen, vraag je je misschien af. Mijn antwoord: ja, dat is belangrijk! Bij paddenstoelen (plukken) is het altijd belangrijk te weten met wie je van doen hebt. Ik kwam in mijn loopbaan als paddenstoelenplukker al zoveel kulverhalen tegen, allemaal van zogenaamde kenners; ik zou er een boek over kunnen schrijven. Baarlijke onschuldige nonsens hoorde ik, maar ook levensgevaarlijke nonsens. Dus: zoek altijd uit wat je plukt en sla nooit aan het gokken…

Hoewel er wel degelijk verschillen zijn in het uiterlijk is het vaak moeilijk om het Vroeg Eekhoorntjesbrood te onderscheiden van het Gewone Eekhoorntjesbrood (Boletus Edulis). Het maakt in dit geval niet uit, het zijn allebij uitstekende spijspaddenstoelen. Ze smaken naar elkaar, waarbij het Gewone Eekhoorntjesbrood dan nét mijn voorkeur geniet. Daar komt nog bij dat het Vroeg Eekhoorntjesbrood vrij snel slap kan worden door overdadige opname van water. De paddenstoel wordt dan ongenietbaar.

Enfin, het einde dus van het meningsverschil met de collega. En aangezien  ik de paddenstoelen plukte op het terrein van onze Broodheer, maar Johan ze al eerder had zien staan, besloot ik om ze dan ook maar samen te eten. We waren ten slotte een hele week nachtcollega’s en ‘s nachts moet de mens zich ook voeden, nietwaar… Het recept was beproefd en simpel van aard, maar die overheerlijke paddenstoelen behoeven geen ingewikkelde bereiding. Het is net zoals met asperges: de eerste van het jaar eet je zo simpel en klassiek mogelijk. Het ging zo:

Snipper een sjalot heel fijn en doe hetzelfde met twee tenen knoflook. Bak ze vervolgens in half boter, half olie op een niet te hoog vuurtje. Wanneer de ui glazig oogt gaat er een handje dobbelsteentjes gekookte ham bij en mogen de in dobbelstenen van anderhalf à twee centimeter gesneden paddenstoelen erbij. Het vuur even mag iets hoger. Mogelijk moet er dan ook nog wat vetstof bij, paddenstoelen slobberen olie. Na een paar minuten gaat er een flinke scheut bouillon bij. Breng op smaak met peper en zout en laat nu de paddenstoelen gaar stoven op en laag vuurtje (met eventueel de deksel op de pan). Tegen het eind van de gaartijd wordt er een flinke scheut room aan de massa toegevoegd. Kook de massa in tot de sausdikte zoals jij hem wilt hebben. Een beetje groen erdoor, peterselie of eventueel basilicumblaadjes, en je maaltje is klaar. Goed brood hoort er uiteraard bij, en natuurlijk een kop espresso toe.

P.s.: de foto stamt uit de oertijd van onze website. Het gerecht zag er nu, elf jaar later, precies zo uit. De foto werd gemaakt op 3 augustus 2006, dus die dag aten we ook Boletus aestivalis, ach vooruit, Boletus reticulatis. Zo goed Johan?

© paul

Het Ministerie is twaalf jaar geworden…

Crémantkurken...

Breng je de leeftijd van het Ministerie terug naar de menselijke maat dan mag je ervan uitgaan dat het Ministerie ergens in het afgelopen jaar de pubertijd is binnengegleden. Hoe dat in de toekomst uitpakt is voor ons een vraagteken. Tot nog toe hebben we er weinig van gemerkt, maar wat niet is kan nog komen.

Voorlopig heeft het Ministerie de twaalf jaren volgemaakt. Jaren waarin we nieuwe lezers hebben begroet en jaren waarin we van andere afscheid moesten nemen. Jaren waarin zo’n 3720 (drieduizendzevenhonderdtwintig) artikeltjes werden geschreven (én gelezen). Jaren waarin we alles bij elkaar een paar miljoen bezoekers trokken. Jaren waarin lezers lief en leed met ons deelden.

Met name de laatste tijd wordt er aanmerkelijk minder gereageerd op de website. Dat komt doordat nogal wat lezers ons bereiken via Facebook en daar dan hun reacties achterlaten. Evengoed stegen onze bezoekersaantallen door de jaren naar ruim 800 lezers per dag. Lezers die daadwerkelijk een of meerdere pagina’s openklappen (want anders kan onze telmachine ze niet zien). Bedenk daarbij dat een hoop lezers slechts nu en dan langs komen en je kunt het totale bereik aan bezoekers met tig vermenigvuldigen. En op zo’n aantal bezoekers zijn we trots.

Door de jaren heen zijn we wat minder gaan schrijven. Twee, drie artikeltjes per dag, zoals in het begin, is niet vol te houden en het is de vraag of het zinvol is. Voor korte eet- en drinkberichtjes is Facebook een veel beter medium. Wij houden het op de website dan ook op meer uitgebreide artikelen, maar wel minder. En intussen vallen we  regelmatig in herhaling, ook daar ontkomen we niet aan. Maar een degelijke steekproef onder onze bezoekers leerde dat men daar als lezer geen enkele last van heeft. Een pak van ons hart, want het blijkt niet mogelijk om twaalf lange jaren altijd origineel te zijn.

De nieuwsgierige lezer heeft intussen natuurlijk het eerste-artikel-ooit van het Ministerie opgezocht en ziet als aanvangsdatum 3 augustus 2005 staan. Dat is geen vergissing maar een ingeslopen fout buiten onze schuld om. En die fout is niet meer te herstellen zonder de beginartikelen te verminken. Hoe dat technisch allemaal in elkaar steekt weet ik niet, en dat wil ik graag zo houden. Feit is dat het Ministerie haar eigen aanvang antidateert. Enfin, het zij zo.

Wat de toekomst brengt kan niemand weten. Het Ministerie kan slechts beloven haar best te blijven doen, noest door te schrijven en naar behoren te publiceren. En intussen vieren we een klein feestje. Champagne wil er niet aan te pas komen. Maar een mooie fles Crémant zal het toch moeten ontgelden. Een uit Bourgogne, mogelijk uit de Loirestreek of misschien wel uit Luxemburg. De keuze is nog niet gemaakt.

Wees gegroet lezer, namens Ellen en Paul!

© paul

 

Soupe au Pistou (groentesoep met basilicumsaus)…

Zomerse groentesoep met pistou...

Soupe au Pistou is een klassieker in de Zuid Franse keuken. Maar denk niet dat er één sluitend recept bestaat voor de soep, want dat is er eenvoudigweg niet. Het is net als met de beroemde Bouillabaisse, de vissoep uit Marseille en omstreken. Een aantal ingrediënten vind je altijd wel terug in elk recept, maar verder wordt er aangevuld met wat voorradig is, wat de seizoenen voorschrijven, wat op de markt wordt aangeboden, wat de voorkeur heeft…

Soupe au Pistou is in ieder geval een groentesoep. En de Pistou is een saus van basilicumblaadjes, olijfolie, harde kaas en verse knoflook. Het recept voor de saus ligt min of meer vast, hoewel ook daar allerhande lokale verschillen te vinden zijn. Pistou komt uit ongeveer dezelfde regio als de Noord Italiaanse Pesto. De sauzen zijn dan ook nauw aan elkaar verwant en men gebruikt ervoor dezelfde ingrediënten. Alleen gaan er bij de Pesto nog pijnpitten bij, en bij een Pistou gebeurt dat zelden (hoewel…).

De recepten die ik gebruik voor de soep en de saus zijn beproefd. En al wijkt mijn versie af van een heleboel andere recepten voor Soupe au Pistou, ik ben ervan overtuigd dat ik met mijn soep geen slecht figuur zou slaan in het zuiden van La Douce France

Het recept zoals ik het geef levert je een maaltijdsoep op voor vier personen. Wat goed brood erbij, meer is niet nodig. Je hebt er een complete vegetarische maaltijd aan.

  • Voor de soep:
  • olijfolie
  • 1 ui,
  • 1 flinke wortel,
  • 1 courgette,
  • 150 gram sperzieboontjes,
  • 3 tenen knoflook,
  • 3 tomaten (of 1 blik van 400 gram),
  • 1 blik witte bonen (400 gram),
  • 100 gram pasta (niet te grote vormpjes).
  • groentebouillon of water naar behoeven.

 

  • Voor de Pistou:
  • 2 handen basilicumblaadjes,
  • 50 gram vers gerapte Parmezaanse kaas,
  • 50 ml olijfolie,
  • 1 flinke teen knoflook (uit de knijper),
  • zwarte peper en zout uit de molen.

Verwarm in een grote stevige pan de olijfolie. Snijd de ui in ringen en laat die in de olijfolie, op een niet te hoog vuurtje, glazig worden (ongeveer 5 minuten). Snijd de wortel en de courgette in dobbelsteentjes van 1 centimeter en coupeer de sperziebonen in stukjes van twee centimeter. Verwijder eventueel de huid van de tomaten en hak ze in kleine partjes. Hak ook de knoflook middelgrof. Doe nu alle groenten bij de ui in de pan en laat alles kort stoven. Vul nu de pan af met zoveel groentebouillon (of water), dat de groenten onder staan. Breng de groenten even aan de kook en laat ze vervolgens trekken op een laag vuur, ongeveer 20 minuten. Voeg na de kooktijd de pasta en de bonen toe. Vul het vocht aan met groentebouillon (of water), zodanig dat alles weer onder staat. DE soep weer even opkoken en vervolgens op een laag vuurtje laten trekken. Wanneer de pasta gaar is is je soep klaar. Je kunt nu eventueel nog vloeistof toevoegen, zodat je soep de gewenste dikte krijgt.

Tijdens het koken van de soep kun je de Pistou klaarmaken. Doe de basilicumblaadjes in een mengbeker, samen met de gemalen kaas, de olijfolie en de teen knoflook. Pureer met de staafmixer tot een gladde massa.

Schep de soep op en geef er een klodder Pistou bij. Werk de saus op je bord door de soep en geniet van een hemelsrijke en smaakvolle groentesoep.

© paul

 

Gnocchi in tomatensaus…

gnocchi

Ellen verblijft in een ver buitenland, dus ik ben een beetje op mezelf aangewezen. Dat is geen probleem, ik kan prima voor mezelf zorgen. En ik zie er niet tegenop om enige tijd in de keuken door te brengen met als enig doel het koken van een een-persoons-maaltijd. Maar helemaal chique is het om gefêteerd te worden. Maandag bood het Kind mij een lekkere couscousschotel aan, en gisteren at ik bij Ans en Vriend Jan Italiaans stoofvlees. Erbij een salade van tomaatjes en stevige tagliatelle. Soepje vooraf, koffie toe. Enfin…

Het stoofvlees zwom in een stevige saus; zo’n saus die zich glanzend hecht aan de iets ruwe huid van de pasta. Tagliatelle was een prima keuze, maar ik bedacht dat we het onlangs nog hadden over gnocchi. En die gnocchi, zelfgemaakt natuurlijk, zouden het stoofvlees en de saus ongetwijfeld ook alle eer bewijzen.

Al weer een hele tijd geleden zag ik in een BBC-kookprogramma gnocchi gemaakt worden met durumtarwe en ricottakaas. Het recept stond me wel aan.
Op de BBC-website vond ik het recept niet terug, maar gelukkig had ik het programma opgenomen en zodoende ben ik dan maar met een schrijfblokje en pen voor de televisie gaan zitten. Het voordeel van zo’n filmpje is dat je niet hoeft te lezen over de valkuilen van een recept, je kunt rustig bekijken hoe je ze kunt voorkomen. Enfin, dit is wat ik ervan kon maken. Serveer je er nog een degelijke salade bij dan voldoet het recept voor vier personen. Gnocchi zijn overigens altijd bereid om een mooie saus te begeleiden.

  • Voor de gnocchi:
  • 200 gram durumtarwe (hard tarwemeel),
  • 220 gram ricottakaas,
  • 3 stuks eigeel,
  • 30 gram parmazaanse kaas,
  • flinke snuif geraspte nootmuskaat,
  • pepr en zout.

 

  • Voor de tomatensaus:
  • 1 blik tomatenblokjes,
  • 3 middelgrote tomaten, grof gehakt,
  • 1 vers pepertje, fijn gesneden,
  • 3 tenen knoflook, grof gehakt,
  • 2 handen verse basilicum,
  • olijfolie.

Doe de eigelen en de ricottakaas in een kom en werk ze dooreen met een vork.
Voeg vervolgens de parmazaanse kaas, de nootmuskaat en de tarwebloem toe en
begin te kneden met je handen. Wanneer het deeg zich tot een bal gaat vormen
bestrooi je het met een beetje bloem. Je kneed nu verder op een gladde
ondergrond tot het deeg goed is. (Je voelt het vanzelf.) Snijd vervolgens hompen
van de deegbal en vorm er worstjes van. Blijf steeds wat bloem gebruiken om te
voorkomen dat alles gaat plakken. De worstjes worden op hun beurt weer versneden
tot brokjes (gnocchi betekent: bultjes). Bestuif de brokjes met meel om te
voorkomen dat ze aan elkaar plakken.

Doe olijfolie in een pan en bak er de grof gehakte konoflook en het versneden
pepertje in op een zacht vuurtje.  Laat de knoflook even glazig worden en stort dan de tomatenstukjes uit blik en de grof gesneden tomaten erbij. Indien je je saus te nat vindt laat je hem even op hoog vuur inkoken. Doe dan het deksel op de pan en laat de saus
op een klein vuurtje nog even gaan.

gnocchi

Breng ruim gezouten water aan de kook. Kook hierin de gnocchi ongeveer vier
minuten. Indien je pan niet al te groot is dan kook je de gnocchi in kleinere
porties. Ze hebben echt ruim water nodig. Laat ze uitlekken en stort ze in de
tomatensaus. De gnocchi mogen nog een paar minuten “wennen” aan de saus. Hak de
verse basilicum en strooi die over de saus. Een beetje geraspte Parmezaanse kaas mag ook. Klaar is je gerecht. Het is wat werk, maar na een paar keer zal het snel gaan. En de gnocchi zijn écht onwaarschijnlijk lekker!

© paul

P.s.: voor dit artikel putte ik uit een eerder schrijfsel (2011)…

Bacalhau van Pitéu (kabeljauw uit een blikje)…

. Bacalhau uit blik...

Met de vakantie in het verschiet is het slim om even stil te staan bij eten en drinken. Want hoe je het ook wendt of keert, er moet gegeten worden. Voor sommigen van ons is vakantie zelfs synoniem aan culinair genot.

De keuze om buiten de deur te eten in verre buitenlanden (maar ook wel in Nederland) is ruim en vaak te doen tegen alleszins acceptabele prijzen. Je moet alleen een beetje kritisch rondkijken en niet zomaar genoegen nemen met de eerste gelegenheid die je tegenkomt.

Of anders bezoek je een lokale markt en je laat je bedwelmen door het aanbod aan vers en veel. Prima spul vind je er om in de vroege avond een maaltijd te toveren vóór je tent, aan je camper of in je caravan.

En voor noodgevallen is er altijd nog de ingeblikte etenswaar. Nagenoeg iedereen met een culinair hart zweert pakjes en zakjes af, maar nagenoeg iedereen heeft wel een (kleine) lading instantspulletjes in z’n voorraadkastje liggen. Ach, het is geen schande, en zogezegd, het zou voor noodgevallen zijn…

Vlees inblikken of in glazen potten steriliseren heeft een lange traditie in Duitsland. Elke zich respecterende slager biedt een keur aan zo geconserveerde vleeswaar aan, van ingeblikte karbonades tot potten met het heerlijkste worstvlees. Het is zaak even te zoeken en de juist slager uitkiezen. Ook in Frankrijk vind je geconserveerd vlees, maar ook complete maaltijden. Zoek de goede bonenschotel met worstjes uit Tour, de zuiderse confit de canard met linzen of de bouillabaisse uit Marseille en je hoeft alleen je potje maar te verwarmen. Knapperig vers stokbrood erbij en klaar ben je. Het voordeel van het Duitse pottenvlees en de Franse maaltijden is dat ze niet aldoor gekoeld hoeven te worden. Je kunt ze dus ook in je tentje even op voorraad houden.

In de meer zuidelijk landen vind je eerder geconserveerde vis. Het notoire blikje sardientjes kent iedereen, maar er is meer, veel meer. Je vindt er tonijn,makreel, doradefilets, haring, ansjovisjes en sardines. En ook mosselen, venusschelpen, scheermessen, krab en kreeft. De pijlstaartinktvisjes en octopussen worden gehakt, in z’n geheel of gevuld aangeboden. En dat allemaal in die kleine blikjes…

Bij al dat instantvoer blijft regel één: ga voor kwaliteit. Het kost wat meer, maar dan heb je ook wat. Schaf je drie blikjes aan voor in totaal een-euro-vijftig dan koop je waarschijnlijk de dood in de pot. Goed eten kost altijd iets meer dan niks…

De instantvis van de foto is gedroogde kabeljauw (bacalao in het Spaans, bacalhau in het Portugees). De vis is voorbewerkt, hij is ontzout en gegaard. Hij ligt in olijfolie op een bedje van knoflook. De vis is smakelijk, stevig en direct klaar voor gebruik. Je tovert er zomaar een vissige spaghettisaus mee. De conserve is van Portugese makelij, van het merk Pitéu, hetwelk Lekkernij betekent. We kochten van dit merk al eerder inktvisjes en pittige mosselen. Prima spul. De prijs voor het blikje Bacalhau was (geloof ik) € 3,50.

Enfin, vers blijft altijd te prefereren boven instant, zoveel is wel duidelijk. Maar als het dan toch moet… Koop goed in, besteed wat aandacht aan je spullen, ook als het over iets quasi-lulligs gaat als blikjes vis. Je zult er geen spijt van krijgen.

Fijne vakantie lezer…

© paul

Snoepjes van de nonnen (Pâtes de Fruits)…

Snoepjes van de Trappistinnen (Pâtes de fruits)...

De Orde van de Trappisten kende je allang, al was het alleen maar omdat een aantal van hun monniken voortreffelijk bier brouwen. Wat je mogelijk niet wist is dat er ook Trappistinnen bestaan. Het betreft dan de vrouwelijke leden van de Orde, en ze tooien zich met een van de lelijkste namen die ik kan bedenken: Trappistinnen

Hoewel… Het kan nog erger. De Trappistenorde heet eigenlijk Orde der Cisterciënzers. De Trappistinnen noemen zich dus officieel Cisterciënzerinnen. Je krijgt het nauwelijks uit je spreektoeter: Cisterciënzerinnen…

Enfin, hoe het ook zij: de Orde bestaat en kennelijk verkiest men het om die rare vervrouwelijking van de naam voor lief te nemen. (Vroeger sprak men bij ons in het dorp ook van de Dokterès als men een vrouwelijke arts wilde duiden, ook al zo’n draak van een woord.)

De oudste kloostergemeenschap voor Trappistinnen werd ergens in de 12e eeuw gesticht en staat in de buurt van Hasselt: de Abdij van Herkenrode. Maar je vindt Trappistinnen door heel Europa en ook in het Nabije Oosten. De nonnen van de snoepjes van de foto wonen in Frankrijk, in het departement Maine-et-Loire, daar waar de rivier de Loire zijn eindpunt bereikt en afstroomt in de Atlantische Oceaan. Saint-Georges-des-Gardes heet het plaatsje en de Abdij luistert naar de naam Abbaye Notre-Dame des Gardes.

Daar waar een aantal van hun mannelijke ordegenoten zich in hun kloosters bezig houden met bieren en kazen, met broden, worsten en hammen, vervaardigen de Trappistinnen van Notre-Dame des Gardes goedbedoelde religieuze prullaria. Ze doen verder in gezondheidsmiddelen, kazen en fijne vleeswaar van bevriende paterkes en ze verkopen rundvlees uit eigen slacht. Maar waar het écht om gaat is de verwerking van fruit (deels uit eigen biologische bongerds). Ze maken er confitures van en gelées. En dus die pâtes de fruit. En dat alles in wel 25 varianten.

Die fruitsnoepjes worden gemaakt van super ingekookte vruchten, in wezen is het niet zo’n ingewikkeld procédé. Kort door de bocht kun je zeggen dat het niet anders is dan jam maken, behalve dan dat wanneer je jammassa klaar is je door blijft koken tot je een kleverige, bijna vaste substantie overhoudt. Die substantie doe je in een bakje en laat hem afkoelen en opstijven. Vervolgens snijdt je er dobbelsteentjes van en rolt die door de suiker. Zoiets lezer, zoiets…

Alles valt en staat natuurlijk bij de ingrediënten die je gebruikt en de nonnetjes verwerken hun fruit zo puur mogelijk (frambozen, zwarte bessen, sinaasappelen, abrikozen, vijgen, aardbeien, kweeperen, citroenen en appels). Maar enige toevoeging is noodzakelijk, anders gaat het niet werken. Rietsuiker gaat erbij, glucosesiroop en fruitpectines. Alles mondjesmaat, maar toch… Géén kleurstoffen, géén kunstmatige aroma’s!

Als gevolg van de ambachtelijke manier van verwerken en de topkwaliteit van het fruit betaal je een aardige prijs voor het snoepgoed. De tien brokjes fruit op de foto zijn samen goed voor vijf euro. Dat lijkt heel wat wanneer je het vergelijkt met de zak vruchtensnoepjes uit de super (driedubbele hoeveelheid voor een derde van de prijs), maar heb je die snoepjes van de nonnen geproefd, dat snap je het écht wel. Zo vol van smaak, zo schandalig lekker, zo’n pure fruitsensatie… En nauwelijks zoet.

Ik snap heus wel dat je de komende weken niet bij die nonnetjes langs zult gaan, hoewel je dat best zou kunnen op je tocht naar warme Spaanse oorden (even van de snelweg af, even ontspannen op het Franse platteland, eventjes een zakje snoep scoren). Maar enfin, de Trappistinnen van Abbaye Notre-Dame des Gardes bieden hun waar ook op fors wat andere plaatsen aan. Dus bezoek je weer eens een oud klooster, kijk dan even in de altijd aanwezige kloosterwinkel of die snoepjes van de nonnetjes er misschien liggen. Wij kochten onze exemplaren in de Abdij van Orval aan de Franse grens.

En overigens is er wel meer volk dat op deze ambachtelijke wijze pâtes de fruit produceert. Je vindt hun producten op marktjes en bij de betere patisserie. Blijf kritisch op de kwaliteit en ben niet te pinnig in aanschaf. Je zult er geen spijt van krijgen…

© paul