Wijngaardslakken…

Slakken in Bourgondië...

De foto dateert van de afgelopen najaarsvakantie in Bourgogne. Bourgondische slakken dus…

Je treft ze er vaak aan, daar in Bourgondië. In de supermarkt of bij de slager, in de delicatessenwinkel en een enkele keer bij de bakker. Ik at ze in het restaurant, ik at ze aan de (friet)kraam, maar ook at ik ze op een vlooienmarkt. Bourgondiërs zijn dol op slakken. En ik ook…

Gelukkig worden consumptieslakken de laatste jaren wat vaker aangeboden in Nederland, er zijn zelfs enkele kwekerijen hier ten lande actief. Importeren uit Frankrijk, Luxemburg of België is dus intussen geen absolute noodzaak meer.

In België en Nederland wordt de waar doorgaans aangeboden in van die handige aluminium schaaltje, net als op de foto. De slakken zijn schoongemaakt en gekookt in een courtbouillon, terug gestopt in huisjes en afgedekt met een laagje gekruide boter. Je hoeft ze alleen nog maar met de opening naar boven te leggen en in de oven te schuiven. Na een minuut of tien bij 180 graden zijn ze doorgewarmd en kunnen ze op tafel.

Er zijn een stuk of vijf slakkensoorten die in Frankrijk en omgeving worden gegeten (en gekweekt). De bekendste zijn de Wijngaardslak en de Petit Gris (kleine Segrijnslak). Maar uiteindelijk kun je alle Europese huisjesslakken eten, ook die mooie kleine tuinslakjes bijvoorbeeld, die hun best doen om jou moestuintje te ruïneren. (Ik lees bij Onno Klein dat ook naaktslakken in aanmerking komen voor consumptie, je moet er alleen nog intensiever aan werken.)

We hebben het wel gedaan, geraapte wijngaardslakken (uit Luxemburg) van begin tot eind klaargemaakt. Ik vind het een vervelend werk en het kost nogal wat tijd. En het eindresultaat is nauwelijks of niet beter dan de kant-en-klare slakken die in pot of blik worden aangeboden (zonder huisjes). Wij kopen dan ook meestal slakken in pot of blik.

Het heeft zo zijn voordelen. Met een beetje zoeken zijn er genoeg recepten te vinden waarbij je de huisjes niet nodig hebt. (Slakkensoep uit Baden-Baden, Spaanse slakjes in tomatensaus, pasta met slakken in roomsaus…).

Ga je voor een klassiek voorgerecht dan is mogelijk volgende tip van nut: er bestaan van die handige keramieke slakkenpannetjes. Het zijn een soort van hoge dubbelwandige bakjes waarin een aantal kuiltjes zitten. Je stopt in elk kuiltje een slak en dekt hem/haar af met slakkenboter. Even in de oven en wanneer de boter begint te pruttelen is je maaltje is klaar. Bij onze zuiderburen en de zuiderburen van onze zuiderburen kom je ze op elke vlooienmarkt tegen. Ze kosten nagenoeg niks, wij hebben zo een aardige collectie opgebouwd. Een enkele keer vind je ze ook in ons land.

En wanneer je dan toch eens een maaltje koopt zoals hier op de foto, dan bewaar je de huisjes na de maaltijd, je wast ze grondig, en bij een volgende sessie vul je de huisjes met slakjes uit blik en een lik kruidenboter.

Ook de kruidenboter wordt in Frankrijk volop aangeboden in de voedingshandel. Maar eenvoudiger is het om die boter zelf te maken. Het is doodsimpel en doorgaans lekkerder dan de instantkruidenboter.

Neem een pakje boter (250 gram) en laat de inhoud wat zacht worden. Druk 5 à 6 teentjes knoflook door de pers, rasp 2 sjalotten en hak platte peterselie (zodat je 3 à 4 eetlepels overhoudt). Peper en zout om af te kruiden. Werk de ingrediënten met een vork door de boter, zodanig dat alles gelijkmatig is verdeeld. Er kan nog wat vloeistof bij, bijvoorbeeld Armagnac, Cognac of pastis. Ook specerijen als piment, foelie, rozemarijn en tijm zijn prima te gebruiken, maar let op dat een en ander niet gaat overheersen. Enfin, laat je smaakvermogen en fantasie werken. Plaats de boter enige uren in de koelkast zodat de smaken zich kunnen zetten.

Je gebruikt de boter niet alleen voor je slakken, je drapeert ook een klontje op je biefstuk, op je kippenbilletje, je lamskarbonade of op je gebakken paddenstoelen. Desnoods smeer je het op je boterham of toast. En meen je teveel te hebben, dan vries je de rest in. Dat gaat prima…

© paul

 

Péckvillercher…

Péckvillchen...

Éimaischen heet het feest en het wordt gevierd op Tweede Paasdag op twee plaatsen in Luxemburg. Op de eerste plaats in Stadt-Luxembourg, en verder ook nog in het dorpje Nospelt. De Stadse Luxemburgers vinden hun feest het enige dat telt, maar je moet maar denken lezer, Stadse Luxemburgers doen niet onder voor Amsterdammers (of welk grootsteeds volk dan ook): is er ergens iets leuks, dan gaan ze het kopiëren en roepen vervolgens dat het altijd al van hullie was. De markten worden al bijna 200 jaar gehouden, altijd op Tweede Paasdag. Enfin…

Wij waren op de Éimaschenmarkt in Nospelt, volgens onze zegsman Mars misschien niet de meest spectaculaire, maar dan toch in ieder geval de van oorsprong origineelste. En ik kende het Luxemburgs fenomeen Éimaschen al langer, maar ik had er geen idee van waar het woord op sloeg of wat de betekenis was bij weten en werkelijkheid. Éimaschen heet bij ons Emmaüsgangers.

(De evangelist Lucas verhaalt in zijn versie van het evangelie over leerlingen van Christus die op weg zijn naar de paasviering in het dorpje Emmaüs. Onderweg komen ze de herrezen Christus tegen, maar ze herkennen hem niet. Het verhaal van die Emaüsgangers is in Luxemburg onlosmakelijk verbonden met Tweede Paasdag.)

De Éimaschenmarkt, die dus altijd op Tweede Paasdag wordt gehouden, is een gezelligheidsmarkt; het prestigieuze crémantmerk Poll Fabaire verkoopt er aan een luxe kraam haar schuimwijnen. De grote Luxemburgse bierbrouwers zijn er vertegenwoordigd met hun uitstekende bieren. (Zowel de bieren als de wijn worden gedronken uit échte glazen, plastic is dood in de pot.) Brusselse wafels met slagroom en vruchtencompote vind je op elke hoek. Er worden karbonades, grillworsten en metties geroosterd, geserveerd met frieten of brood. Er staat een grote feesttent op het centraal plein. Lange tafels en banken maken dat een goede zeshonderd gasten van een drie-gangenmaaltijd kunnen genieten en er is levende muziek…

Het bijzondere aspect van deze markt is de verkoop van de Péckvillercher, kleine stenen lokfluitjes in de vorm van een vogeltje. De Péckvillercher worden in Nospelt gemaakt, al honderden jaren. Nospelt is van oudsher een keramiekcentrum. Al ten tijde van de Romeinse bezetting, zo rond het begin van onze jaartelling, bestond er een bescheiden aardewerkindustrie. Nog vrij onlangs werd er een tegel- en dakpanoven opgegraven, daterend uit die tijd. Men maakte er in vroeger dagen ook steengoed van hoge kwaliteit en aantrekkelijk gebruiksgoed van aardewerk.

De keramisten van Nospelt ventten hun waar uit op markten in Luxemburg, in Duitsland, in België en tot ver in Noord-Frankrijk. Ze gebruikten de vogelfluitjes om klanten naar hun kraam te lokken. De kindertjes eerst, die waren nieuwsgierig en hebberig. En had je de kindertjes, dan volgden de papa’s en mama’s heus wel. En met de ouders aan de kraam was er een gerede kans dat je het grote werk kon slijten: kookpotten, zuurkoolvaten, waterkruiken, drinkbekers, enfin…

Tegenwoordig hobbyt men nog slechts een beetje in Nospelt. Maar de Péckvillercher zijn serieuze zaak. Ze worden in allerhande vormen en maten aangeboden. Speciaal voor deze markt (en ook voor de Éimaschenmarkt van Stadt-Luxembourg) produceert men een verzamelaarseditie van het lokfluitje, genummerd en gesigneerd. Men doet dat al járen, en halverwege de dag is men doorgaans uitverkocht.

Wij kochten echter een eenvoudig volks fluitje. Het is uiteindelijk mooier, charmanter en authentieker dan die collectors-items. Het bezit een mooie warme klank en het ziet er in al z’n eenvoud lollig uit.

Uiteindelijk was het fluitje natuurlijk bedoeld voor onze Jop. We hebben het hem echter niet mee naar huis gegeven. Hij vindt het fluiten zo leuk dat hij binnen de kortste keren zijn ouders horendol zou hebben gemaakt. Nu loopt hij te paraderen op het tuinpad van zijn grootouders en blaast de sterren van de hemel. Hij heeft intussen uitgevonden dat het gaatje in de rug van het vogelfluitje een extra toon genereert. Ach, laat hem maar even doen. Het gaat vanzelf weer over…

©paul

.

Pastel de Nata…

Pastel de Nata...

Dat er veel Portugezen in Luxemburg wonen liet ik je al eens weten. Ruim twintig procent van de bevolking van Luxemburg komt van die kant van het Iberisch schiereiland. Met de integratie zit het wel snor, het beetje gekanker tussen alloch- en autochtonen mag geen naam hebben. Toch heeft zo’n invasie aan nieuwkomers een onmiskenbare invloed op het land.

Zo is in regio’s waar de Portugezen zich vestigen vaker Frans de voertaal dan Luxemburgs, ondanks de inspanningen van de overheid om de eigen taal gaande te houden. Er verschenen intussen talloze Portugese restaurants, Portugese café’s, Portugese winkels, Portugese culturele centra. De verregaande integratie ten spijt wil iedereen nog wat binding met het Moederland behouden.

Ondanks het grote aanbod van stokvis (bacalhou), bonen, varkensoren, bloed- en andersoortige worsten, wijnen, bieren en spiritualiën is er toch één nationaal gerecht(je) dat al het andere naar de kroon steekt en zowel in Portugal als in Luxemburg alom tegenwoordig is: Pastel de Nata

Het is een klein bladerdeeggebakje, gevuld met custardpudding. Het wordt van boven afgedekt met poedersuiker en kaneel en bij hoge temperatuur gebakken. Het gebak kan koud gegeten worden, maar in restaurants en café’s wordt het vaker warm geserveerd.

De oorsprong van het gebak ligt in een voorstadje van Lissabon, genaamd Belém (Bethlehem). Al sinds 1837 worden de gebakjes er verkocht onder de naam Pastéis de Bélem (meervoud) of Pastel de Bélem (enkelvoud). In de rest van het land heten ze gewoon Pastéis of Pastel de Nata (vrij vertaald: pasteitjes van of met room…).

Enfin, in Portugal en Luxemburg gooien ze je er mee dood en intussen veroverden de gebakjes stormenderhand Spanje en Frankrijk. Ook in de Lage Landen zie je ze steeds regelmatiger verschijnen.

Het is niet vreemd dat Pastel de Nata zo populair is. Het is namelijk een heel lekker gebakje en niet al te groot. Het laat zich lekker weghappen bij een kop espresso, als ontbijt of tussendoortje zonder dat het voor de rest van de dag je eetlust bederft. De kwaliteit van de gebakjes wil onderling nog wel verschillen. Zoek tot je de beste hebt, maar let op: ze zijn verslavend…

© paul

 

 

Salade Périgourdine…

Salade Périgourdine...

Een van de beroemde gerechten uit Gascogne is de Salade Périgourdine…
Het is een traditioneel gerecht en dat feit impliceert meteen dat er niet één recept voor is, maar misschien wel duizend. Elke chefkok, maar ook elke thuiskoker, elke hobbyist, elke familie geeft zijn of haar eigen draai aan het gerecht, afhankelijk van budget, mogelijkheden of smaakvoorkeur. En het levert eigenlijk altijd wel wat lekkers op.

In principe komt het erop neer dat je een compilatie maakt van groen blad en ingewanden van de kip. Dat klinkt wat boud, maar dat is het niet. In Landes namelijk maken ze heel goede kippen. Die beesten leveren, naast fijn vlees, ook niertjes, hartjes, maagjes en levertjes. Die gooi je niet weg, die gebruik je…

Enfin, die ingewanden dus, die worden allereerst gebakken, of beter nog, gekonfijt (langzaam en zachtjes gegaard) in ganzen- of eendenvet. Maar soms ook worden ze simpelweg gekookt. Op smaak brengen gaat meestal met peper en zout, maar je vindt ook bereidingswijzen waarin tijm, rozemarijn, oregano, salie of basilicum een rol spelen. Al met al vormen die geprepareerde ingewanden je basis.

De groenigheid van je salade wordt doorgaans verondersteld te bestaan uit kropsla. Maar alle andere denkbare varianten van sla zijn ook welkom. Rucola komt vaak ter sprake, kool zelfs en spinazie. En die salade is dan weer aangemaakt met citroensap, witte wijnazijn, rode wijnazijn of welke zuurstof dan ook. En mosterd natuurlijk, nou en of, in alle denkbare varianten. Ui kan, maar sjalot mag ook. Knoflook rauw, gekookt, ingelegd, je zegt het maar. En olijfolie, denk je dan. Maar je vindt ook raapolie, zonnebloemolie, arachide- en zelfs sesamolie. Echt waar…

Enfin, mijn punt is geloof ik wel duidelijk. Elke verse groene salade is welkom bij dit recept, geheel naar je eigen smaak, jouw voorkeur, jouw mogelijkheden. Er doen hele rijke varianten de ronde, met foie gras, eenden- of ganzenlever, al dan niet versierd met truffel. Of met gerookt borstvlees van eend (anderen zweren bij het equivalent van de gans), met spekjes, met dobbelsteentjes ham…

Onze salade ging met heel gewone bladsla, aangemaakt zoals we dat altijd doen: met rauwe ui in ringetjes, met een vinaigrette van olijfolie, wijnazijn, mosterd met pitjes en peper en zout. Toevoeging van hele fijne minitomaatjes en gekookt ei (van blije kip dien ik van onze Jop te vermelden…).

Onze ingewanden (nou ja, je begrijpt wat ik bedoel…) zaten in een potje. Ze lagen te sluimeren in een bedje van ganzenvet; gegaard, fijntjes, zacht, zoet. We ontdekten de kant-en-klaar delicatessen een half jaar geleden in een Franse mini-super. En eenmaal geproefd was er reden genoeg om een aantal van die potjes in te slaan.

Het is voor een geweldige maaltijd, lunch of bijgerecht slechts zaak het groene gedeelte van je salade te prepareren. Je zet de pot met ingewanden even in een badje warm water, zodat de inhoud moeiteloos is te verwijderen zonder dat je alle onderdelen stuk maakt. Je schudt de inhoud, inclusief het vet, over in een pannetje en laat die zachtjes opwarmen (niet aan de kook brengen!). Je schept de hartjes, niertjes, maagjes en levertjes vervolgens uit de vloeistof en laat ze even uitlekken. Je drapeert ze over je groene salade en je maaltje is klaar.

Het overgebleven eenden- of ganzenvet leent er zich uitstekend toe om aardappeltjes in te bakken (of appeltjes, of eend, of gans, of bedenk maar). Enfin…

© paul

Lees ook: het Bourgogneartikel over de salade…

Asperges: Primeur 2018…

Asperges: primeur 2018...

Het is welhaast traditie; elk jaar met Carnaval komen we op de laatste dag van het feest de boerin tegen die ons gedurende het in het verschiet liggende seizoen rijkelijk van  het Witte Goud zal voorzien. En altijd weer benutten we die carnavalsontmoeting om de ultieme vraag te stellen: Wanneer verwacht je de eerste asperges? Dit jaar liepen we elkaar echter mis…

Enfin, dacht ik, ik houd het wel op een andere manier in de gaten. Ik ging ervan uit dat ik beslist een berichtje zou opvangen wanneer het zo ver was; ons dorp is niet zo groot en de lokale tam-tam werkt nog immer op gekende wijze. Alle belangrijke zaken komen ons op enig moment ter oren, en doorgaans sneller dan verwacht.

De serieuze winterperiode in de afgelopen maand had de productiedatum voor asperges beslist nadelig beïnvloed, meende ik stellig. En de winterse dip die voor de komende dagen in het verschiet lag zou het er niet beter op maken. Ik had dus die asperges maar weer even uit mijn hoofd verbannen. Tot dan dat telefoontje kwam van collega Ria.

Ria is een gekend liefhebber van de Asparagus officinalis. Vorig jaar nog raakte ik bij toeval in een wedstrijd met haar verzeild, met als inzet de eerste asperges van het jaar bemachtigen bij ons beider vaste leverancier. Ria op de gemotoriseerde eco-fiets, ik in mijn oude schicht op vier wielen. Ria won nipt, maar samen waren we dan toch de eerste particuliere klanten van het jaar bij onze aspergeboer(in).

Dit jaar had Ria op mij een onmiskenbare voorsprong in het hele aspergegebeuren. Zij had namelijk de beschikking over het 06-nummer van de boerin. En ze heeft daar dankbaar gebruik van gemaakt… En ja, liet de boerin telefonisch weten, er waren al asperges te koop. De boerderijwinkel was nog wel niet in bedrijf, maar gewoon aan huis werd de waar al uitgevent.

En ik lezer, ik wist weer van niks…

Tot dan dat telefoontje kwam van collega Ria. Ze vertelde me haar bevindingen en nodigde me uit samen een maaltje te scoren. Ik moest evenwel gedurende dag slapen, want ik werk deze week ‘s nachts (zoals ik altijd ‘s nachts werk…). Ria begreep dat als geen ander, ze is zelf per slot al sinds mensenheugenis nachtzuster. Geen probleem, zei ze, ik breng asperges voor je mee en lever ze af wanneer je wakker bent. En aldus geschiedde…

Enfin lezer, ik nam het Witte Goud op gepaste tijd in ontvangst, schilde de blanke stengels zorgvuldig en vleide ze eerbiedig in de pan. Ze mochten garen en zacht worden als boter. (asperges beetgaar, al dente of zo iets lafs, het is dood-in-de-pot voor de asperge, geloof me!).

We aten ze dus gisteravond, die verse asperges. We aten ze klassiek: met goede (de beste) boter, met fijne gekookte ham, met hardgekookt ei, met een snuifje geraspte kaas. Meer hoeft dat niet te zijn

Dient nog vermeld dat onze asperges, van hier in dat kneuterdorp, in deze uithoek van Zuidoost Brabant, behoren tot een van de specimen die dienen opgenomen te worden in de lijst van culinair wereldcultuurgoed

©paul

Mistralou…

IMG-20180303-WA0005

Wie ‘s nachts werkt, dient ‘s nachts te eten (en overdag te slapen, maar dat is evident). En aangezien ik mijn arbeidzame uren doorbreng tussen 22.00 en 07.00 uur behoor ik tot die nocturalen die in het holst van de nacht de maaltijd tot zich nemen.

Mijn nachtelijke gerechten zijn doorgaans van eenvoudige aard, prefab of samengesteld uit restanten van de maaltijden thuis. Van koken in de nacht maak ik niet zo erg veel werk. Het is lastig, want je kunt er op elk moment vanaf moeten. Je dient dan onmiddellijk de keukenboel de keukenboel te laten en je te storten op de zorg waar je uiteindelijk voor bent ingehuurd. Gevolg kan zijn: verpieterde groenten, tot pulp gekookte pasta, dan wel tot de graad van verkoling verbrand vlees. (Ergens in het verleden zorgde de rookontwikkeling bij het laatst genoemde wapenfeit voor brandalarm. Met als gevolg dat er een aantal gewaarschuwde collega’s in vliegende haast mijn afdeling bestormden om mij te assisteren bij de vermeende vuurramp; blusdekens en schuimblussers van de muur rukkend, slangen uitrollend en naarstig zoekend naar het cliënteel om de evacuatie van mijn afdeling in gang te zetten. Intussen diende ik me telefonisch de oren van de kop te lullen om de Brandmeldcentrale in ‘sHertogenbosch ervan te overtuigen dat de Vrijwillige Brandweer van Boekel en ommelanden niet gealarmeerd diende te worden, want het betrof slechts rookontwikkeling middels verbrande karbonades. Het was 04.00 uur in de ochtend en de zorg schoot er even bij in. Dat wil je écht niet nog eens meemaken lezer, écht niet…)

Enfin, mijn wachtweken omvatten zeven nachten aaneengesloten werken en ergens in die weken ruim ik een of twee keer tijd in om een collega te eten te vragen. Dat is dan doorgaans de Hoofdwacht (nachtelijk hoofd van dienst), want die is flexibel en ambulant en sjouwt door de nachten heen toch alle afdelingen langs. We stemmen onze lunchtijd af op elkaar en ik doe mijn best om iets aardigs (bijzonders, smakelijks, vul maar in) op tafel te toveren.

Tijdens ons laatste verblijf in Luxemburg schafte ik me (zoals meestal) een aantal kaasjes aan. Ik betrek die daar ter plekke altijd van dezelfde meester-affineur, Hervé Mons, dewelke zijn waar onder anderen slijt via de mega-supermarkt Cactus in het Belle Etoile-complex onder de rook van Stadt-Luxembourg. De kwaliteit van zijn kazen is altijd hors-categorie. Dat wil zeggen: met de grootste zorg ingekocht bij de kleinste producenten (fermier), opgeslagen en nagerijpt onder ideale omstandigheden, en aangeboden aan de consument in permanente topkwaliteit. Bij het overweldigend aanbod aan kazen in de Belle Etoile staat altijd vermeld welke afkomstig zijn uit de kelders van Mons.

Enfin, ik had die kazen dus op voorraad en stelde vandeweek met een aantal ervan een maaltijd samen. Een sappig peertje erbij, een zachte chutney uit eigen keuken, en natuurlijk het beste brood. Het zag er prachtig uit en meer hoefde het niet te zijn.

Ik had een kaasje uit de Auvergne, Gaperon genaamd. Halfhard , gerijpt en stevig van smaak door toevoeging van zwarte peper en gedroogde knoflook. Ook een eenvoudig specimen uit de Rhônes-Alpes, luisterend naar de naam Saint-Felicien, de enige semi-industriële kaas in het gezelschap. Dan was er nog een echt paterskaasje van het type Lingot. Dat kaasje werd gemaakt door de paters van de abdij van Saint-Nicolas de Dalmerie. Ongepasteuriseerde schapenmelk (lait-cru) met een natuurlijke schimmelkorst. Pittig van smaak, diep en rijk.

Speciaal wil ik je vertellen over het kaasje uit het noorden van de Côtes d’Azur, tegen de voet van de Alpen; het heet Mistralou. Op de kopfoto zie je er een stapeltje van prominent liggen te soezen in de vitrine van de affineur. Ze wachten geduldig op de koper.

De kaasjes zijn gemaakt van ongepasteuriseerde geitenmelk. Hoe lang ze rijpen en hoe ze precies worden geproduceerd kon ik niet achterhalen, maar wat je overhoudt is een zachte, lopende kaas, prominent van smaak en onmiskenbaar geit. Maar mild!

Het blad waarmee de kaasjes zijn omwikkeld is afkomstig van de tamme kastanje. Het geeft de kaasjes een tikje tannine mee en iets in de smaak wat je aards kunt noemen. De bladsmaak is tot de kern van het kaasje doorgedrongen. Tel daarbij nog eens de schimmelkorst bij op (en snuif de geur) en je waant je in een herfstbos. Enfin, zo’n kaasje, zo’n kaasje…

Dit type kaas wordt nog steeds geproduceerd in de regio, maar Mistralou blijkt afkomstig van één boerderij. Het is dus een zeldzaamheid en moeilijk te vinden. Maar ik kwam het specimen ook tegen op internet, bij Nederlandse affineurs, te bestellen via het world-wide-web. Je kunt het dus vinden. En ben je net zo’n kaasliefhebber als ik, doe dan je best! Het kaasje verdient het…

© paul

Maikels specerijen uit India…

Kruiderij uit India...

Maikel was even in India. Nou ja, even?! Enkele maanden zwierf hij door dat subcontinent, van noord naar zuid, van west naar oost, kriskras, met slechts een rugzak als bagage. Hij maakte daarbij gebruik van het uitstekend spoorwegnet, de ontelbare b&b’s en de nog talrijkere hotelletjes.

De foto’s die hij tijdens zijn reis publiceerde op Facebook spraken boekdelen. Spannende avonturen, verbazingwekkende ontdekkingen, vervreemdende belevenissen, een nauwelijks te bevatten cultuurshock. Ik moet Maikels verslag nog uit eerste hand horen.

Naast persoonlijke aandenkens en een hoofd vol herinneringen bracht Maikel cultuurgoed mee terug in de vorm van specerijen. Via zijn moeder belandde dan weer een deel van dat culinaire goud op het Ministerie.

Specerijen zoals ze door heel India gekend zijn; pepers, currykruiden, hete paprika’s en een kruidenmengsel van koninklijken bloede, genaamd biryani.  De kwalificaties, zoals beschreven door een lokale kruidenverkoper of specerijenboer belopen van hot-hot naar no-hot. En daartussen niks… In mijn overmoed nam ik een lik van het no-hot paprikapoeder en mijn mondholte begon te branden als de houtoven. De rest van de specerijen, gemerkt met hot-hot, heb ik dan ook maar heel voorzichtig geproefd. En ja hoor, ze zijn allemaal scherp en heet als de hel. Maar geuren doen ze allemaal goddelijk…

Ik weet weinig van de Indiase keuken, en wat ik er al van ken is via een omweg tot me gekomen, namelijk via Engelse koks en kookschrijvers. Maar de specerijen zijn uiteraard ook prima inzetbaar bij onze meer gangbare kookgewoonten. Dat spul gaat gebruikt worden, volop…

Echt benieuwd ben ik evenwel naar dat specerijenmengsel biryani. Je moet daarbij denken aan het principe van een mengsel, gemaakt zoals raz-el-hanout uit de Noord-Afrikaanse keuken: een mengsel van het beste wat de kruidenboer in zijn winkeltje heeft. Grof gezegd bestaat biryani uit kurkuma, komijnzaad, zwarte peper, paprika, korianderzaad, kaneel, piment, citroenzuur, knoflook en garam masala (wat op zich al een specerijenmengsel is). Je gebruikt het om vleesgerechten te kruiden, die dan weer door een pan rijst worden gemengd en zo een geweldig geurende (en smakelijke) eenpansschotel opleveren. Ik ga het binnenkort uitproberen…

Enfin, voorlopig hebben we op onze kruidenplanken netjes plaats ingeruimd voor de nieuwe aanwinsten. De gulle gever zij alle dank!

© paul

Twaalfeneenhalf jaar…

 

Chablis 1er Cru, 2015...

‘t Is dat Marleen ons via de digitale weg liet weten dat het Ministerie van Eten en Drinken twaalfeneenhalfjaar bestaat. Vandaag, op deze eigenste dag, de vijfde februari anno domini 2018…

Zonder haar opmerkzaamheid (middels een kattebelletje, geheugensteuntje, digitale post-it, kladblaadje) zou dat heuglijk feit volkomen aan ons voorbij zijn gegaan. Schande toch…

Marleen stond vanmiddag op de stoep met een gepast cadeautje voor het Jubilerend Instituut, maar we waren er even niet… Ze toog onverrichterzake weer huiswaarts… (Enfin, we maken het morgen wel goed.)

Evengoed is deze mijlpaal mogelijk een goed ogenblik om weer eens aan het schrijven te geraken. Want daarmee is het naatje-pet de laatste tijd, dat had je al wel gemerkt lezer.

Weinig lust, weinig inspiratie en weinig tijd. Het zijn uiteindelijk dooddoeners, maar het zij zo, het komt er gewoonweg niet van…

Enfin, we richtten dan toch maar een klein feestje in voor onszelf. En onder het genot van zeebanket en een uitstekende Chablis beloofden we elkaar dat we er weer vol tegenaan gaan. (Herinner ons er even aan lezer, wanneer we onze belofte niet nakomen…)

Ellen-Paul.

Hoe zat het met het Kerstmenu?..

Het menu...

Hoe zat het nou met dat Kerstmenu? Verschillende lezers vroegen er bij herhaling om en ik voel me verplicht te antwoorden. Maar ook omwille van de archief-functie van deze website dien ik het menu te beschrijven; we gingen in het verleden wat al te lichtzinnig om met het archiveren van die Feestmaaltijden en vaak waren er ook geen geschikte foto’s. Slechts met kunst en vliegwerk, oude menukaarten en het herinneringsvermogen van de vrienden en vriendinnen valt een en ander van vroeger jaren te reconstrueren, en soms lukt het in het geheel niet! Vandaar…

De lettertjes op de foto zijn nauwelijks te lezen. Met wat internetgestunt zou je de foto op kunnen blazen zodat de tekst duidelijker wordt, maar dat gedoe wil ik je niet aandoen lezer. Ik tik het menu wel uit…

 

Gravlax met mierikswortelsaus.

Heldere bouillon met verse tuinkruiden.

Gekonfijte eendenbout met rode portsaus.

Aardappelpuree, Rode kool met cassis, Spruitjes met amandelen, Kerstpeertjes.

Drie rauwmelkse kazen en Muskaatdruiven.

Chocolademouse.

Kop espresso en diverse spiritualiën.

De basis van het Gravlax-recept was biologische zalm, gekweekt ergens in de Atlantische oceaan. We kochten hem bij onze vaste vishandelaar op Helmond markt. Het oorspronkelijk recept kwam van de Engelse BBC-kok Rick Stein en Ellen paste een en ander aan aan haar eigen smaak en goesting. De rauwe zalm mocht achtenveertig uur marineren en was na die tijd zacht, gaar en heel smakelijk. De saus van vers geraspte mierikswortel, kruiderij en room mocht geruime tijd rijpen zodat de smaken zich konden zetten.

De bouillon werd getrokken van biologische leghennen uit Friesland. Geweldige kippen zijn dat. Als leverancier van snel-snel-filetjes zijn ze niet geschikt. Maar voor soep en stoof zijn de dames subliem. De verse kruiderij bestond voor een belangrijk deel uit kervel.

Je zou je eendenpootjes zelf kunnen konfijten, we hebben het wel eens gedaan. Dat garen van die pootjes in eenden- of ganzenvet is echter nogal wat werk en het vergt tijd. Maar er wordt prima kant-en-klaar gekonfijt vlees aangeboden in de levensmiddelenhandel wisten we uit ervaring. We besloten tot de gemakkelijke optie en kochten ons vlees gegaard en gebruiksklaar in. Ze kwamen uit de Sud-Ouest, die pootjes, het zuidwesten van Frankrijk.

Een klassieke zondagse aardappelpuree werd erbij geserveerd (aardappel, boter, room, ei, nootmuskaat).  Verder kwamen er nog spruiten op tafel; eenvoudig gekookt, bedropen met boter en bestrooid met geroosterde amandelen. Simpel maar effectief.

De rode kool was geschonken goed. Onze groenteboer op Helmond markt vond dat we al genoeg aan groenten hadden ingekocht en buiten dat was hij toe aan zijn rol als Kerstman. Hij had voor elke vaste klant wel een kadotje, ons schonk hij twee koolkoppen van elk vier kilo. Bij het afscheid riep hij nog vaderlijk na: Pas bij het raspen op voor uw vingers, vrouwke… Enfin, schoongemaakt leverden die twee giganten een teil van zes kilo rode kool. Veel te veel natuurlijk, maar geen nood. De restanten werden verpakt in handzame plastic bakjes en eenieder die wilde kon een portie mee naar huis nemen. Het overschot vond gretig aftrek. Ellen zal de kool nog beschrijven, dat was-ie dubbel en dwars waard.

De peertjes vormen een apart hoofdstuk, Ellen zal ze nog beschrijven. Wilde Giezerman, zo heten die stoofpeertjes De taak die Ellen zichzelf stelde was dat ze als geen ander de eend konden begeleiden en tegelijk herinneringen op zouden roepen aan een klassieke (lees Engelse) kerst. Gestoofd in een vloeistof van port, rode wijn en crème de cassis met smaakmakers als vanille, steranijs, kaneel en suiker. Het resultaat was ernaar…

De rauwmelkse kazen kwamen van de betere affineur. Er was Brie-de-Meaux uit L’Îles de France, een gerijpte bergkaas uit de Franche-Comté en een pittige blauwschimmelkaas uit hartje Frankrijk. Allemaal AOC-kazen, allemaal ongepasteuriseerd, stevig, vol en uitgesproken van smaak. Simpele schijfjes stokbrood erbij. Geen opdringerige crackers, vijgenbroden of andere knutsels. Het ging om de kaas… Muskaatdruiven, die mochten erbij, en voor de liefhebber een walnoot. Op het laatste moment werd er nog een brok getruffeerde Brillat Savarain aan de plank(en) toegevoegd. Zo’n heerlijk zacht en wollig kaasje, geurend naar een bospad in de late natte herfst. Enfin…

De chocolademousse was klassiek. Ellen had best een andere toespijs gewild, maar de goegemeente is zo verslingerd aan dit toetje dat ze zwichtte voor de talloze smeekbeden. Chocolademousse moest het worden.

Naast de espresso (van bonen van Cook & Boon) serveerden we ook potten thee. Daarbij: Cognac, Armagnac, Port, Cointreau.

De maaltijd werd besproeid met… Het is een gekende uitdrukking, maar toch ook een rare. Want je denkt toch niet dat we met z’n allen een beetje gingen zitten sproeien met onze nobele wijnen? Nee hoor, we dronken met eerbied (en later op de avond een pietsje gulzig). Witte wijn uit Bourgondië, een Hautes-Côtes de Beaune van het wijnhuis Bouchard Aîné & Fils, jaargang 2015. En voor bij de eend een rode wijn, min of meer uit de buurt van herkomst: een stevige Corbières uit 2014, Les Hautes Castelmaure.

Voor de liefhebbers lagen er Speciaalbieren koud en voor een enkeling een pijpje Bavaria. En dat was het dan wel…

Terwijl wij met z’n allen genoten van de maaltijd waren we life getuige van de bereiding van een Linzenschotel, in Manchester, daar in het noorden van het Verdorven Albion. Maar daarover later…

© paul

Gelukkig Nieuwjaar…

Van Marleen...
Het jaar is alweer twee dagen oud, wat gaat de tijd snel…

Terugblikken op het voorbije jaar zou een goede gewoonte zijn, maar we gaan dat nu niet doen. En de toekomst voorspellen is dan wel een aardig tijdverdrijf, uiteindelijk levert ook dat niet veel op.

Maar zoveel is zeker: Ik maak aanspraak op mijn pensioen, is het niet in augustus, dan toch zeker vanaf september van dit jaar. En ook Ellen denkt er sterk over om haar pabo-lier aan de wilgen te hangen. Het is mooi geweest…

En zoveel is zeker: we zullen Bourgondië bezoeken, is het niet in het voorjaar, dan toch zeker in het najaar. Maar liefst allebei.

En zoveel is zeker: we blijven deze website vullen met verhaaltjes, recepten, gedachten.

En zoveel is zeker: wij wensen jullie allemaal een goed en voorspoedig 2018 toe.

Gelukkig Nieuwjaar.

Ellen Paul